Box 3 niet in strijd met BRK
Een inwoner van Curaçao had onroerende zaken in Nederland waarop een hypotheekschuld rustte. Zowel de onroerende zaken als de hypotheekschuld vallen sinds 2001 in box 3. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting over 2001 ging de inspecteur uit van de door de belanghebbende aangegeven waarde van de onroerende zaken. De inspecteur bracht de hypotheekschuld in aftrek op de bezittingen. Het gemiddelde van de rendementsgrondslag in Nederland aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar 2001 bedroeg nihil.
De belanghebbende was het niet eens met de opgelegde aanslag, omdat hij meende dat hij op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) recht had op aftrek van de door hem betaalde hypotheekrente.
Ter vermijding van dubbele belasting bepaalt de BRK dat een hypotheekschuld die betrekking heeft op in Nederland gelegen onroerende zaken in Nederland in aanmerking wordt genomen als negatief bestanddeel van het vermogen. De hypotheekrente vormt een negatief bestanddeel van het inkomen. Sinds de invoering van de Wet IB 2001 wordt het in een kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland forfaitair bepaald. Door de hypotheekschuld in mindering te brengen op de rendementsgrondslag wordt de betaalde rente in het forfaitaire rendement verdisconteerd. Volgens de Hoge Raad is het niet in strijd met de BRK om op forfaitaire wijze inkomsten en aftrekbare bedragen in de belastingheffing te betrekken. Dat betekent dat de aanslag juist was.
Een inwoner van Curaçao had onroerende zaken in Nederland waarop een hypotheekschuld rustte. Zowel de onroerende zaken als de hypotheekschuld vallen sinds 2001 in box 3. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting over 2001 ging de inspecteur uit van de door de belanghebbende aangegeven waarde van de onroerende zaken. De inspecteur bracht de hypotheekschuld in aftrek op de bezittingen. Het gemiddelde van de rendementsgrondslag in Nederland aan het begin en aan het einde van het kalenderjaar 2001 bedroeg nihil.
De belanghebbende was het niet eens met de opgelegde aanslag, omdat hij meende dat hij op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) recht had op aftrek van de door hem betaalde hypotheekrente.
Ter vermijding van dubbele belasting bepaalt de BRK dat een hypotheekschuld die betrekking heeft op in Nederland gelegen onroerende zaken in Nederland in aanmerking wordt genomen als negatief bestanddeel van het vermogen. De hypotheekrente vormt een negatief bestanddeel van het inkomen. Sinds de invoering van de Wet IB 2001 wordt het in een kalenderjaar genoten belastbare inkomen uit sparen en beleggen in Nederland forfaitair bepaald. Door de hypotheekschuld in mindering te brengen op de rendementsgrondslag wordt de betaalde rente in het forfaitaire rendement verdisconteerd. Volgens de Hoge Raad is het niet in strijd met de BRK om op forfaitaire wijze inkomsten en aftrekbare bedragen in de belastingheffing te betrekken. Dat betekent dat de aanslag juist was.