
De zogenaamde bosbouwvrijstelling is een bepaling in de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 die inhoudt dat de voordelen die een ondernemer behaalt uit een bosbedrijf niet tot de winst behoren. Het belang van de bosbouwvrijstelling is het in stand houden van bossen. Er is sprake van een bosbedrijf als de instandhouding van het bos voorop staat binnen de bedrijfsuitoefening.
Naar het oordeel van de rechtbank Den Haag is de bosbouwvrijstelling niet van toepassing bij een tuinder die bomen in stand houdt voor de verkoop van snijgroen. De tuinder was van mening dat de instandhouding van de bomen op de voorgrond stond omdat niet meer wordt gekapt dan normaal bosbeheer meebrengt en dat het kappen zo nodig wordt gevolgd door heraanplant. De rechtbank was van oordeel dat de verkoop van het snijgroen en niet de instandhouding van de bomen op de voorgrond stond. Om die reden was de bosbouwvrijstelling niet van toepassing.