
Voor het onttrekken van grondwater aan de bodem is een vergunning van de provincie nodig. Boven een bepaalde hoeveelheid onttrokken grondwater moet grondwaterbelasting worden betaald. Daartoe moet aangifte gedaan worden.
Een bedrijf met drie vestigingen had op elke vestiging een milieucoördinator die verantwoordelijk was voor het aanvragen en naleven van verleende vergunningen voor grondwateronttrekking en voor de aangiften voor milieubelastingen van de eigen vestiging. Na de invoering van de grondwaterbelasting werd een aangiftebiljet voor de grondwaterbelasting naar het hoofdkantoor gezonden. Daar zetelde ook de financiële administratie, die verantwoordelijk was voor de behandeling van rijksbelastingen voor het gehele bedrijf. Ten aanzien van de grondwaterbelasting werd geen gecoördineerde actie ondernomen. Uiteindelijk leidde dat tot een naheffingsaanslag en een boete van € 253.000. De rechtbank vond een boete van € 130.000 passend en geboden. Wegens overschrijding van de redelijke termijn die gesteld wordt aan procedures over boetes verlaagde de rechtbank de boete met 10%. Hof Den Haag sloot zich in hoger beroep bij het oordeel van de rechtbank aan.