Boete verminderd omdat er geen sprake was van omvangrijke fraude

In 1995 legde de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffing met 100% verhoging op aan een ondernemer over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994. Over die periode had de ondernemer geen aangifte loonheffing gedaan. De ondernemer ging in bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de opgelegde verhoging. De inspecteur verklaarde de ondernemer niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift niet was gemotiveerd. De inspecteur stuurde de uitspraak op bezwaar naar het Huis van Bewaring te ’s-Hertogenbosch, waar de ondernemer in verband met een gerechtelijk vooronderzoek naar strafbare feiten in hechtenis werd gehouden. De inspecteur stuurde geen afschrift naar de gemachtigde van de ondernemer, ondanks dat hij wist wie de gemachtigde was. De ondernemer ontkende de uitspraak op het bezwaar te hebben ontvangen. Ruim twee jaar na de dagtekening van de uitspraak op het bezwaar werd een beroepschrift ingediend. De procedure voor Hof Den Bosch had betrekking op de volgende vragen:I. Is het beroep ontvankelijk? II. Heeft de inspecteur de belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard?III. Moest de bewijslast worden omgekeerd wegens het niet doen van de vereiste aangiften loonheffing of wegens het niet voldoen aan de administratieplicht?IV. Zo ja, heeft de ondernemer dan overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is?V. Als de vorige vraag ontkennend moet worden beantwoord, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag dan redelijk en niet willekeurig berekend?VI. Als vraag IV bevestigend moet worden beantwoord, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag dan terecht en tot de juiste hoogte opgelegd en heeft hij terecht een verhoging opgelegd en het juiste kwijtscheldingsbesluit genomen?VII. Handelt de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of de goede procesorde, door pas bij zijn brief van 16 april 2004 de stukken die op de zaak betrekking hebben over te leggen?Ad I. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is het beroep van een belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd ontvankelijk ondanks overschrijding van de termijn, wanneer niet vaststaat dat de termijnoverschrijding hem te verwijten is. De ondernemer schreef in zijn beroepschrift dat hij pas op 29 mei 1998 door de inspecteur was geïnformeerd dat uitspraak op bezwaar was gedaan. De inspecteur kon niet bewijzen dat de ondernemer de uitspraak wél op of omstreeks 4 april 1996 had ontvangen. Niet uitgesloten kon worden dat de uitspraak in het Huis van Bewaring was zoekgeraakt. Het beroep was daarom ontvankelijk.Ad II. De inspecteur had nog een keer om motivering van het bezwaar moeten vragen, zeker nu er tijdens de behandeling van het bezwaar een wisseling van gemachtigde was opgetreden. Het Hof verwees naar een besluit van Financiën waarin de inspecteurs wordt opgedragen om pas na twee verzoeken om motivering over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring.Ad III. Volgens het Hof moest de inspecteur aannemelijk maken, dat de ondernemer in de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 aangifte had moeten doen voor de loonheffing. De aangifteplicht vloeit niet voort uit de wet. Omdat de inspecteur de ondernemer niet had uitgenodigd tot het doen van aangiften in die periode, kon omkering van de bewijslast niet volgen uit het niet voldoen aan de aangifteplicht. De inspecteur stelde tegenover de uitdrukkelijke en gemotiveerde ontkenning van de ondernemer dat hij in de periode 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 inhoudingsplichtig was onvoldoende bewijs voor het bestaan van inhoudingsplicht. Alleen in de periode van 29 maart 1993 tot 1 januari 1994 was er een persoon in loondienst werkzaam. In zoverre stond de inhoudingsplicht vast. Over die periode was er een loonadministratie. Er kon dus geen sprake zijn van omkering van de bewijslast wegens het niet voldoen aan de administratieplicht.Ad IV en V. Deze vragen hoefden niet beantwoord te worden omdat de bewijslast niet kon worden omgekeerd.Ad VI. Volgens de loonadministratie bedroeg de verschuldigde loonheffing over de periode 29 maart 1993 tot en met 31 december 1993 ƒ 2.569. Niet gebleken was dat dit bedrag onjuist was. De inspecteur maakte niet aannemelijk dat de naheffingsaanslag voor het overige juist was. Het Hof vond aannemelijk dat de ondernemer geen loonheffing had voldaan. De naheffingsaanslag was daarom tot een bedrag van ƒ 2.569 terecht en tot de juiste hoogte opgelegd. De boete mocht niet meer dan 50 % hiervan bedragen, omdat wel sprake was van opzet, maar niet van een verhoudingsgewijs omvangrijke fraude. Vanwege het tijdsverloop matigde het Hof de boete tot 43 % van de nageheven belasting. Ad VII. Hoewel de handelwijze van de inspecteur niet fraai was, vond het Hof dit niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of een goede procesorde. De ondernemer was door het Hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stukken die de inspecteur pas zeer laat had overgelegd; daardoor was hij niet in zijn belangen geschaad.
In 1995 legde de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffing met 100% verhoging op aan een ondernemer over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994. Over die periode had de ondernemer geen aangifte loonheffing gedaan. De ondernemer ging in bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de opgelegde verhoging. De inspecteur verklaarde de ondernemer niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift niet was gemotiveerd. De inspecteur stuurde de uitspraak op bezwaar naar het Huis van Bewaring te ’s-Hertogenbosch, waar de ondernemer in verband met een gerechtelijk vooronderzoek naar strafbare feiten in hechtenis werd gehouden. De inspecteur stuurde geen afschrift naar de gemachtigde van de ondernemer, ondanks dat hij wist wie de gemachtigde was. De ondernemer ontkende de uitspraak op het bezwaar te hebben ontvangen. Ruim twee jaar na de dagtekening van de uitspraak op het bezwaar werd een beroepschrift ingediend. De procedure voor Hof Den Bosch had betrekking op de volgende vragen:I. Is het beroep ontvankelijk? II. Heeft de inspecteur de belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in zijn bezwaar verklaard?III. Moest de bewijslast worden omgekeerd wegens het niet doen van de vereiste aangiften loonheffing of wegens het niet voldoen aan de administratieplicht?IV. Zo ja, heeft de ondernemer dan overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar onjuist is?V. Als de vorige vraag ontkennend moet worden beantwoord, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag dan redelijk en niet willekeurig berekend?VI. Als vraag IV bevestigend moet worden beantwoord, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag dan terecht en tot de juiste hoogte opgelegd en heeft hij terecht een verhoging opgelegd en het juiste kwijtscheldingsbesluit genomen?VII. Handelt de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of de goede procesorde, door pas bij zijn brief van 16 april 2004 de stukken die op de zaak betrekking hebben over te leggen?Ad I. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is het beroep van een belastingplichtige aan wie een verhoging is opgelegd ontvankelijk ondanks overschrijding van de termijn, wanneer niet vaststaat dat de termijnoverschrijding hem te verwijten is. De ondernemer schreef in zijn beroepschrift dat hij pas op 29 mei 1998 door de inspecteur was geïnformeerd dat uitspraak op bezwaar was gedaan. De inspecteur kon niet bewijzen dat de ondernemer de uitspraak wél op of omstreeks 4 april 1996 had ontvangen. Niet uitgesloten kon worden dat de uitspraak in het Huis van Bewaring was zoekgeraakt. Het beroep was daarom ontvankelijk.Ad II. De inspecteur had nog een keer om motivering van het bezwaar moeten vragen, zeker nu er tijdens de behandeling van het bezwaar een wisseling van gemachtigde was opgetreden. Het Hof verwees naar een besluit van Financiën waarin de inspecteurs wordt opgedragen om pas na twee verzoeken om motivering over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring.Ad III. Volgens het Hof moest de inspecteur aannemelijk maken, dat de ondernemer in de periode van 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 aangifte had moeten doen voor de loonheffing. De aangifteplicht vloeit niet voort uit de wet. Omdat de inspecteur de ondernemer niet had uitgenodigd tot het doen van aangiften in die periode, kon omkering van de bewijslast niet volgen uit het niet voldoen aan de aangifteplicht. De inspecteur stelde tegenover de uitdrukkelijke en gemotiveerde ontkenning van de ondernemer dat hij in de periode 1 januari 1990 tot en met 31 december 1994 inhoudingsplichtig was onvoldoende bewijs voor het bestaan van inhoudingsplicht. Alleen in de periode van 29 maart 1993 tot 1 januari 1994 was er een persoon in loondienst werkzaam. In zoverre stond de inhoudingsplicht vast. Over die periode was er een loonadministratie. Er kon dus geen sprake zijn van omkering van de bewijslast wegens het niet voldoen aan de administratieplicht.Ad IV en V. Deze vragen hoefden niet beantwoord te worden omdat de bewijslast niet kon worden omgekeerd.Ad VI. Volgens de loonadministratie bedroeg de verschuldigde loonheffing over de periode 29 maart 1993 tot en met 31 december 1993 ƒ 2.569. Niet gebleken was dat dit bedrag onjuist was. De inspecteur maakte niet aannemelijk dat de naheffingsaanslag voor het overige juist was. Het Hof vond aannemelijk dat de ondernemer geen loonheffing had voldaan. De naheffingsaanslag was daarom tot een bedrag van ƒ 2.569 terecht en tot de juiste hoogte opgelegd. De boete mocht niet meer dan 50 % hiervan bedragen, omdat wel sprake was van opzet, maar niet van een verhoudingsgewijs omvangrijke fraude. Vanwege het tijdsverloop matigde het Hof de boete tot 43 % van de nageheven belasting. Ad VII. Hoewel de handelwijze van de inspecteur niet fraai was, vond het Hof dit niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of een goede procesorde. De ondernemer was door het Hof in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stukken die de inspecteur pas zeer laat had overgelegd; daardoor was hij niet in zijn belangen geschaad.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u