
Hof Den Bosch verminderde in een procedure over een aantal naheffingsaanslagen loon- en omzetbelasting de boetes die waren opgelegd bij de naheffingsaanslagen loonbelasting. Tegen deze uitspraak stelde zowel de belanghebbende als de staatssecretaris van Financiƫn beroep in cassatie in.
Naar het oordeel van de Hoge Raad had het hof moeten beoordelen of de boete gelet op de omstandigheden van het geval een bij het begane vergrijp passende en geboden sanctie was. Tot de omstandigheden waarmee de rechter rekening moet houden behoort de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan. In dit geval was omkering van de bewijslast toegepast zonder dat het hof daarmee rekening had gehouden.
Daarnaast was het hof van oordeel dat de inspecteur de belanghebbende te laat op de hoogte had gesteld van de grondslagen van de boetes. Het hof hield bij dat oordeel geen rekening met een eerder door de inspecteur verzonden brief waarin de naheffingsaanslag en de boete werden aangekondigd en toegelicht.
Tenslotte oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in het EVRM was overschreden. Het beroep in cassatie was ingesteld op 19 juli 2007. Het arrest van de Hoge Raad werd bijna drie jaar later gewezen. Het verwijzingshof zal moeten beoordelen in hoeverre dat gevolgen heeft voor de hoogte van de boetes.
De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem voor verdere behandeling.