
De vraag in een procedure was of de leningen die een aandeelhouder had verstrekt aan een BV waarin hij een aanmerkelijk belang had, een terbeschikkingstelling van vermogen waren of een informele kapitaalstorting. In het eerste geval zouden de leningen in box 1 van de inkomstenbelasting vallen en zou een afwaardering ten laste van het inkomen kunnen worden gebracht. In het tweede geval zou de lening als kapitaal in box 2 vallen. Civielrechtelijk gezien ging het om leningen. Voor de toepassing van het belastingrecht is de civielrechtelijke kwalificatie in beginsel bepalend. Er kan echter toch sprake zijn van een kapitaalstorting als de geldlening is verstrekt onder zodanige omstandigheden dat het de schuldeiser meteen duidelijk moet zijn geweest dat hij het geleende bedrag niet of slechts gedeeltelijk terug zou krijgen. Of dat het geval was moest de rechtbank beantwoorden. De aandeelhouder verstrekte in de jaren 2000 tot en met 2002 vier leningen aan zijn BV. De BV beschikte over geen andere vermogensbestanddelen dan de licentie op een merk en een deelneming in een andere BV, aan wie exclusief de rechten waren verleend om het hiervoor bedoelde merk te exploiteren. Deze BV ontwierp en bracht collecties damesmode uit onder de merknaam.
Door het niet doorgaan van een geplande joint venture zou de verkoop van kleding in Europa en de Verenigde Staten niet van de grond komen. Volgens de rechtbank was de merknaam waardeloos en zouden de inkomsten uit de exploitatie van die merknaam nihil bedragen. Wegens het ontbreken van andere vaste activa en activiteiten moet vanaf het moment waarop bleek dat de joint venture niet tot stand zou komen duidelijk zijn geweest dat de BV en haar deelneming geen inkomsten zouden genereren. Dat hield in dat ook duidelijk moet zijn geweest dat de BV’s niet aan hun terugbetalingsverplichtingen zouden kunnen voldoen. In navolging van de opvatting van de inspecteur merkte de rechtbank de leningen aan als een zogeheten bodemlozeputlening. De leningen waren in fiscale zin geen leningen maar kapitaalsverstrekkingen. Dat oordeel hield in dat de terbeschikkingstellingsregeling niet van toepassing was op deze leningen.
In hoger beroep vond Hof Amsterdam dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat op het moment van het verstrekken van de eerste geldlening al duidelijk was niet zou worden terugbetaald. Het feit dat de aandeelhouder in privé geld had geleend en daarvoor zekerheden had verstrekt om dit geld zonder zekerheden door te lenen aan de BV vond het hof een aanwijzing dat dit was gebeurd vanuit de aandeelhoudersrelatie en dus de vorm had van kapitaal.
Als subsidiair standpunt nam de BV in dat ook vorderingen die als informeel kapitaal zijn aangemerkt onder de terbeschikkingstellingsregeling vallen. Alleen formeel op aandelen gestort kapitaal is volgens de BV expliciet buiten de terbeschikkingstellingsregeling gehouden. Hof Amsterdam is van oordeel dat binnen de bron resultaat uit werkzaamheden geen ruimte bestaat om een geldverstrekking die fiscaal als informeel kapitaal wordt gekwalificeerd ten laste van het resultaat af te kunnen waarderen. Een dergelijke afwaardering valt namelijk niet in de winstsfeer maar in de kapitaalsfeer.