Blote eigenaar woning moest per 14 november 1997 inkomsten uit vermogen aangeven
In 1996 kocht iemand samen met zijn broer de blote eigendom van een nieuwbouwwoning. Tegelijkertijd kochten zijn ouders het recht van vruchtgebruik van deze woning. Het recht van vruchtgebruik werd door de verkoper gevestigd. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 verwerkte één van de bloot eigenaren een bedrag aan afschrijving van de onroerende zaak van ƒ 2.848. De inspecteur volgde de aangifte niet en bracht de volgende correcties aan: - bijtelling van een bedrag van ƒ 2.363 aan aangroei van de blote eigendomswaarde en- verlaging van het bedrag aan afschrijving tot het bedrag van de aangroei van de blote eigendomswaarde. De inspecteur wees het bezwaar tegen de aanslag af. In de procedure voor Hof Den Bosch was in geschil of de hoofdregel voor vruchtgebruiksituaties van toepassing was of de uitzondering daarop voor vruchtgebruik voor ouders. Bij toepassing van de hoofdregel moest de waardeaangroei van de blote eigendom tot de inkomsten uit vermogen van de blote eigenaar worden gerekend. Indien de uitzondering van toepassing was hoefde er niets bij het inkomen van de blote eigenaar te worden geteld. De ouders moesten in dat geval het huurwaardeforfait aangeven. Van belang bij de beantwoording van die vraag was dat de tekst van de wet per 14 november 1997 is aangepast. Door die aanpassing werd de werking van de hoofdregel uitgebreid. Het Hof was van oordeel dat de verkoper tot het moment van vestiging van het recht van vruchtgebruik de volle civielrechtelijke eigendom van de woning had gehad. Bij de vestiging van dat recht beschikte de verkoper over de voordelen uit de woning door de volle eigendom te ontdoen van de toekomstige vruchten. Naar het oordeel van het Hof was de verkoper tot dat moment gerechtigd tot de voordelen uit de tot het vermogen van de blote eigenaar behorende woning en hadden deze voordelen geheel of gedeeltelijk betrekking op de periode waarin de woning deel uitmaakte van diens vermogen. Met ingang van de datum van wetswijziging was de hoofdregel van toepassing. Voor die datum was de tekst van de wet minder uitgebreid en gold daarom de hoofdregel niet aldus het Hof. De uitzondering was niet van toepassing omdat de verkoper geen familierelatie had met de blote eigenaar. De uitkomst was dat de blote eigenaar tot 14 november 1997 geen voordeel hoefde aan te geven en kon afschrijven op de blote eigendom. Vanaf 14 november werd de afschrijving beperkt tot het bedrag aan voordelen uit de woning.
In 1996 kocht iemand samen met zijn broer de blote eigendom van een nieuwbouwwoning. Tegelijkertijd kochten zijn ouders het recht van vruchtgebruik van deze woning. Het recht van vruchtgebruik werd door de verkoper gevestigd. In zijn aangifte inkomstenbelasting 1997 verwerkte één van de bloot eigenaren een bedrag aan afschrijving van de onroerende zaak van ƒ 2.848. De inspecteur volgde de aangifte niet en bracht de volgende correcties aan: - bijtelling van een bedrag van ƒ 2.363 aan aangroei van de blote eigendomswaarde en- verlaging van het bedrag aan afschrijving tot het bedrag van de aangroei van de blote eigendomswaarde. De inspecteur wees het bezwaar tegen de aanslag af. In de procedure voor Hof Den Bosch was in geschil of de hoofdregel voor vruchtgebruiksituaties van toepassing was of de uitzondering daarop voor vruchtgebruik voor ouders. Bij toepassing van de hoofdregel moest de waardeaangroei van de blote eigendom tot de inkomsten uit vermogen van de blote eigenaar worden gerekend. Indien de uitzondering van toepassing was hoefde er niets bij het inkomen van de blote eigenaar te worden geteld. De ouders moesten in dat geval het huurwaardeforfait aangeven. Van belang bij de beantwoording van die vraag was dat de tekst van de wet per 14 november 1997 is aangepast. Door die aanpassing werd de werking van de hoofdregel uitgebreid. Het Hof was van oordeel dat de verkoper tot het moment van vestiging van het recht van vruchtgebruik de volle civielrechtelijke eigendom van de woning had gehad. Bij de vestiging van dat recht beschikte de verkoper over de voordelen uit de woning door de volle eigendom te ontdoen van de toekomstige vruchten. Naar het oordeel van het Hof was de verkoper tot dat moment gerechtigd tot de voordelen uit de tot het vermogen van de blote eigenaar behorende woning en hadden deze voordelen geheel of gedeeltelijk betrekking op de periode waarin de woning deel uitmaakte van diens vermogen. Met ingang van de datum van wetswijziging was de hoofdregel van toepassing. Voor die datum was de tekst van de wet minder uitgebreid en gold daarom de hoofdregel niet aldus het Hof. De uitzondering was niet van toepassing omdat de verkoper geen familierelatie had met de blote eigenaar. De uitkomst was dat de blote eigenaar tot 14 november 1997 geen voordeel hoefde aan te geven en kon afschrijven op de blote eigendom. Vanaf 14 november werd de afschrijving beperkt tot het bedrag aan voordelen uit de woning.