
Sinds 1 januari 2001 geldt de terbeschikkingstellingsregeling voor vermogensbestanddelen die door een aanmerkelijk belanghouder aan zijn BV ter beschikking worden gesteld. De terbeschikkingstellingsregeling houdt in dat de voordelen die worden behaald met deze vermogensbestanddelen in box 1 worden belast en niet in box 3.
Voor op 1 januari 2001 bestaande rechtsverhoudingen die per die datum als terbeschikkingstelling kwalificeren bepaalt de Invoeringswet Wet IB 2001 dat het betreffende vermogensbestanddeel voor de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2001 op de balans moet worden gezet.
Voor een pand, dat door een dga aan zijn BV werd verhuurd, moest bij de vaststelling van de waarde in het economische verkeer per 1 januari 2001 rekening worden gehouden met het bestaande huurrecht.
Deze waarde was bij een gezamenlijke taxatie door de belastingdienst en een taxateur van de dga vastgesteld op € 190.000. De waarde vrij van huur op dat moment bedroeg € 220.000. De gezamenlijke taxatie had niet alleen tot doel om de waarde per januari 2001 vast te stellen, maar ook om de waarde bij het einde van de terbeschikkingstelling te bepalen. Die waarde werd vrij van huur vastgesteld op een bedrag van € 220.000. De dga moest daardoor over een bedrag van € 30.000 belasting betalen. De dga meende dat ook bij de aanvang van de terbeschikkingstelling de waarde vrij van huur moest worden bepaald en bestreed daarom de taxatie. Volgens Hof Amsterdam was de dga aan de uitkomst van de gezamenlijke taxatie gebonden nu deze niet onjuist was.