Bijtelling auto na verlies rijbevoegdheid
Werknemers met een auto van de zaak worden geconfronteerd met een bijtelling voor het privégebruik van de auto, tenzij zij bewijzen dat zij de auto voor niet meer dan 500 km privé gebruiken in een jaar. Tot 2006 vond de bijtelling plaats in de inkomstenbelasting, met ingang van dat jaar wordt de bijtelling in de loonbelasting verwerkt. Voorwaarde voor de bijtelling is dat de auto aan de werknemer ter beschikking staat. Dat betekent dat de bijtelling ook plaatsvindt in een periode waarin de werknemer feitelijk geen gebruik heeft kunnen maken van de auto, bijvoorbeeld wegens ziekte.
Dat ondervond een werknemer die in het voorjaar van 2004 werd getroffen door een herseninfarct. Tijdens zijn revalidatie was hem de rijbevoegdheid ontzegd. Na het volgen van rijlessen en het afleggen van een examen mocht de werknemer vanaf medio oktober 2004 weer auto rijden. Daarom verwerkte de werknemer in zijn aangifte de bijtelling slechts voor een deel van het jaar. De inspecteur corrigeerde dat. Naar het oordeel van de rechtbank was de correctie terecht. Volgens arresten van de Hoge Raad is de omstandigheid dat een werknemer feitelijk geen gebruik kan maken van de auto geen aanleiding om de bijtelling achterwege te laten of naar tijdsgelang toe te passen. Behoudens de mogelijkheid om te bewijzen dat de auto niet meer dan 500 km per jaar is gebruikt voor privédoeleinden biedt de wet geen mogelijkheden voor achterwege laten of vermindering van de bijtelling.
Werknemers met een auto van de zaak worden geconfronteerd met een bijtelling voor het privégebruik van de auto, tenzij zij bewijzen dat zij de auto voor niet meer dan 500 km privé gebruiken in een jaar. Tot 2006 vond de bijtelling plaats in de inkomstenbelasting, met ingang van dat jaar wordt de bijtelling in de loonbelasting verwerkt. Voorwaarde voor de bijtelling is dat de auto aan de werknemer ter beschikking staat. Dat betekent dat de bijtelling ook plaatsvindt in een periode waarin de werknemer feitelijk geen gebruik heeft kunnen maken van de auto, bijvoorbeeld wegens ziekte. <BR>Dat ondervond een werknemer die in het voorjaar van 2004 werd getroffen door een herseninfarct. Tijdens zijn revalidatie was hem de rijbevoegdheid ontzegd. Na het volgen van rijlessen en het afleggen van een examen mocht de werknemer vanaf medio oktober 2004 weer auto rijden. Daarom verwerkte de werknemer in zijn aangifte de bijtelling slechts voor een deel van het jaar. De inspecteur corrigeerde dat. Naar het oordeel van de rechtbank was de correctie terecht. Volgens arresten van de Hoge Raad is de omstandigheid dat een werknemer feitelijk geen gebruik kan maken van de auto geen aanleiding om de bijtelling achterwege te laten of naar tijdsgelang toe te passen. Behoudens de mogelijkheid om te bewijzen dat de auto niet meer dan 500 km per jaar is gebruikt voor privédoeleinden biedt de wet geen mogelijkheden voor achterwege laten of vermindering van de bijtelling.