
Een werknemer die de beschikking heeft over een auto van de zaak wordt geconfronteerd met een bijtelling bij zijn inkomen voor het privégebruik van de auto, tenzij de werknemer bewijst dat hij met de auto op jaarbasis niet meer dan
Het mede ter beschikking stellen van de auto door de andere werkgever houdt in dat deze werkgever de kosten van het gebruik van de auto voor de voor hem verrichte werkzaamheden volledig voor zijn rekening neemt. Dat betekent dat de integrale kostprijs van de gereden kilometers moet worden doorbelast.
In de situatie waarin niet de volledige kosten van de auto werden doorberekend maar een relatief laag bedrag per kilometer, leidde dit tot een bijtelling bij het inkomen van de werknemer. De werknemer beriep zich op de tweede uitzondering die de Hoge Raad in het eerder vermelde arrest heeft genoemd. Volgens de werknemer was hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij de eerste werkgever ook werkzaam voor de tweede. Dat zou blijken uit een overeenkomst waarbij de werknemer en de beide werkgevers partij waren. Volgens het hof had de overeenkomst slechts betrekking op betaling van het loon door de tweede werkgever aan de eerste en op doorbetaling aan de werknemer door de eerste werkgever. Die overeenkomst was afhankelijk van een voorwaarde waaraan niet was voldaan.