Bij herkapitalisatie uitgegeven aandeel leidde tot verbreken fiscale eenheid
Een BV had alle aandelen in een andere vennootschap. De vennootschappen vormden een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De dochtermaatschappij had grote verliezen geleden. Als onderdeel van een herkapitalisatie gaf de dochtermaatschappij tegen storting van een groot bedrag één aandeel uit aan een zustervennootschap van de moedermaatschappij. Op de dag van uitgifte verkocht en leverde de zustermaatschappij het aandeel aan de moedermaatschappij. In geschil was of door de uitgifte van het ene aandeel de fiscale eenheid werd verbroken. Voor een fiscale eenheid onder de oude regeling gold de eis, dat de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom van 99% van de aandelen moest hebben. Hof Amsterdam onderzocht of de zustermaatschappij aan het ene aandeel een groter belang kon ontlenen en stelde vast dat de zustermaatschappij volgens de statuten van de dochtermaatschappij een recht had op terugbetaling van de door haar gestorte agio. Het belang van de zustermaatschappij in het vermogen van de dochtermaatschappij was groter dan evenredig, waardoor niet was voldaan aan de in de toelichting op de standaardvoorwaarden voor een fiscale eenheid met betrekking tot een ontbrekend aandeel gestelde voorwaarden. Naar het oordeel van het Hof was de fiscale eenheid door de uitgifte van het ene aandeel verbroken met terugwerkende kracht tot de eerste dag van het lopende boekjaar. Het beroep van de BV op toepassing van het nieuwe regime voor de fiscale eenheid werd verworpen, omdat de transacties onder het oude regime hadden plaatsgevonden. Onder de huidige regeling volstaat een belang in de dochtermaatschappij van 95%.
Een BV had alle aandelen in een andere vennootschap. De vennootschappen vormden een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De dochtermaatschappij had grote verliezen geleden. Als onderdeel van een herkapitalisatie gaf de dochtermaatschappij tegen storting van een groot bedrag één aandeel uit aan een zustervennootschap van de moedermaatschappij. Op de dag van uitgifte verkocht en leverde de zustermaatschappij het aandeel aan de moedermaatschappij. In geschil was of door de uitgifte van het ene aandeel de fiscale eenheid werd verbroken. Voor een fiscale eenheid onder de oude regeling gold de eis, dat de moedermaatschappij de juridische en economische eigendom van 99% van de aandelen moest hebben. Hof Amsterdam onderzocht of de zustermaatschappij aan het ene aandeel een groter belang kon ontlenen en stelde vast dat de zustermaatschappij volgens de statuten van de dochtermaatschappij een recht had op terugbetaling van de door haar gestorte agio. Het belang van de zustermaatschappij in het vermogen van de dochtermaatschappij was groter dan evenredig, waardoor niet was voldaan aan de in de toelichting op de standaardvoorwaarden voor een fiscale eenheid met betrekking tot een ontbrekend aandeel gestelde voorwaarden. Naar het oordeel van het Hof was de fiscale eenheid door de uitgifte van het ene aandeel verbroken met terugwerkende kracht tot de eerste dag van het lopende boekjaar. Het beroep van de BV op toepassing van het nieuwe regime voor de fiscale eenheid werd verworpen, omdat de transacties onder het oude regime hadden plaatsgevonden. Onder de huidige regeling volstaat een belang in de dochtermaatschappij van 95%.