Bezwaar tegen vaststellingsovereenkomst was niet uitdrukkelijk uitgesloten
De eigenaar van een windmolenpark, dat in 1995 was gerealiseerd, had met de gemeente een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin de waarde per windturbine voor de heffing van de onroerende zaakbelasting werd bepaald op ƒ 300.000. De mogelijkheid van bezwaar tegen de in deze overeenkomst opgenomen waarde was beperkt tot arbitrage. De WOZ-beschikking voor het tijdvak dat op 1 januari 1997 begon werd door de gemeente volgens de vaststellingsovereenkomst vastgesteld. De eigenaar van het park maakte bezwaar tegen de waardebeschikking. De gemeente verklaarde het ingediende bezwaarschrift onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden was dat ten onrechte, omdat in de vaststellingsovereenkomst niet uitdrukkelijk afstand was gedaan van rechtsmiddelen. Aangezien partijen een geschil hadden over de uitleg van de overeenkomst kon de eigenaar niet het recht worden ontzegd om in bezwaar en beroep te gaan. Inhoudelijk mocht dat de eigenaar niet baten. Het Hof achtte hem gebonden aan de vaststellingsovereenkomst omdat er geen feiten of omstandigheden waren om daarvan af te wijken.
De eigenaar van een windmolenpark, dat in 1995 was gerealiseerd, had met de gemeente een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin de waarde per windturbine voor de heffing van de onroerende zaakbelasting werd bepaald op ƒ 300.000. De mogelijkheid van bezwaar tegen de in deze overeenkomst opgenomen waarde was beperkt tot arbitrage. De WOZ-beschikking voor het tijdvak dat op 1 januari 1997 begon werd door de gemeente volgens de vaststellingsovereenkomst vastgesteld. De eigenaar van het park maakte bezwaar tegen de waardebeschikking. De gemeente verklaarde het ingediende bezwaarschrift onder verwijzing naar de vaststellingsovereenkomst niet-ontvankelijk. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden was dat ten onrechte, omdat in de vaststellingsovereenkomst niet uitdrukkelijk afstand was gedaan van rechtsmiddelen. Aangezien partijen een geschil hadden over de uitleg van de overeenkomst kon de eigenaar niet het recht worden ontzegd om in bezwaar en beroep te gaan. Inhoudelijk mocht dat de eigenaar niet baten. Het Hof achtte hem gebonden aan de vaststellingsovereenkomst omdat er geen feiten of omstandigheden waren om daarvan af te wijken.