Bezwaar op formele punten tegen legesheffing was ongegrond
De gemeente Apeldoorn bracht in 1999 een bedrag van ƒ 514.175 in rekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning voor een appartementencomplex. De belanghebbende was het met deze heffing niet eens en ging in beroep bij Hof Arnhem tegen de uitspraak van de gemeente op het bezwaarschrift. In geschil was of de tariefbepaling geldend was en of de heffingsverordening op de juiste wijze bekend was gemaakt. Daarnaast was nog in geschil of de geraamde baten van de bouwleges de geraamde lasten overschreden, of de heffingsmaatstaf inclusief omzetbelasting was en of deze mocht worden afgerond op duizendtallen, of de uitspraak op bezwaar was gedaan door een onbevoegde functionaris en of de gemeente de hoorplicht had geschonden. Naar het oordeel van het Hof was de tarieventabel geldend. Het Hof wees de opvatting van de belanghebbende dat in de openbare kennisgeving van ter inzage legging van besluiten moet zijn vermeld dat inzage kosteloos is, af. Noch de Gemeentewet noch de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover bieden steun aan deze opvatting. Ook het standpunt dat de legesheffing niet winstgevend mocht zijn wees het Hof onder verwijzing naar arresten van de Hoge Raad uit 2005 af. De kostendekking van de gehele verordening mag niet boven de 100% uitgaan. Dat was niet aan de orde.Volgens het Hof stond het de gemeentelijke wetgever vrij om aan het begrip ‘bouwkosten’ een eigen invulling te geven door de omzetbelasting daartoe te rekenen. Ook mocht de gemeente bij de opbouw van het tarief uitgaan van een heffing voor ‘elke ƒ 1.000 boven een bedrag van ƒ 1.000.000’ en op deze wijze de bouwkosten afronden op hele duizendtallen. Ook op de formele twistpunten gaf het Hof de gemeente gelijk.
De gemeente Apeldoorn bracht in 1999 een bedrag van ƒ 514.175 in rekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning voor een appartementencomplex. De belanghebbende was het met deze heffing niet eens en ging in beroep bij Hof Arnhem tegen de uitspraak van de gemeente op het bezwaarschrift. In geschil was of de tariefbepaling geldend was en of de heffingsverordening op de juiste wijze bekend was gemaakt. Daarnaast was nog in geschil of de geraamde baten van de bouwleges de geraamde lasten overschreden, of de heffingsmaatstaf inclusief omzetbelasting was en of deze mocht worden afgerond op duizendtallen, of de uitspraak op bezwaar was gedaan door een onbevoegde functionaris en of de gemeente de hoorplicht had geschonden. Naar het oordeel van het Hof was de tarieventabel geldend. Het Hof wees de opvatting van de belanghebbende dat in de openbare kennisgeving van ter inzage legging van besluiten moet zijn vermeld dat inzage kosteloos is, af. Noch de Gemeentewet noch de jurisprudentie van de Hoge Raad daarover bieden steun aan deze opvatting. Ook het standpunt dat de legesheffing niet winstgevend mocht zijn wees het Hof onder verwijzing naar arresten van de Hoge Raad uit 2005 af. De kostendekking van de gehele verordening mag niet boven de 100% uitgaan. Dat was niet aan de orde.Volgens het Hof stond het de gemeentelijke wetgever vrij om aan het begrip ‘bouwkosten’ een eigen invulling te geven door de omzetbelasting daartoe te rekenen. Ook mocht de gemeente bij de opbouw van het tarief uitgaan van een heffing voor ‘elke ƒ 1.000 boven een bedrag van ƒ 1.000.000’ en op deze wijze de bouwkosten afronden op hele duizendtallen. Ook op de formele twistpunten gaf het Hof de gemeente gelijk.