Bewijslast plaats overtreding

De Nederlandse douane reikte uitnodigingen tot betaling uit voor douanerechten, omzetbelasting en accijns die betrekking hadden op partijen sigaretten. Volgens de gedane aangifte zouden de partijen onder de douaneregeling extern douanevervoer via Spanje naar Tunesië worden verscheept. Na onderzoek bleken de stempels en de handtekeningen van de Spaanse douane op de bescheiden die de Nederlandse douane had terug ontvangen vals te zijn. De bescheiden waren niet in de registers van de Spaanse douane opgenomen. Hof Amsterdam verwierp de stelling van de belanghebbende dat de Nederlandse douaneautoriteiten niet heffingsbevoegd waren, omdat de belanghebbende niet had bewezen dat zich buiten Nederland een overtreding of een onregelmatigheid had voorgedaan met betrekking tot deze goederen. Volgens het Hof was voor deze goederen in Nederland een douaneschuld ontstaan. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie EG volgt dat de douaneautoriteiten in het land van vertrek aan de aangever moeten mededelen dat de goederen en het vervoersdocument het kantoor van bestemming niet hebben bereikt. Deze autoriteiten moeten de aangever verzoeken om binnen één jaar te bewijzen waar de overtreding of de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Zonder zodanige mededeling of verzoek is de inspecteur niet bevoegd om belasting te heffen. Dit geldt ook wanneer de douane aanvankelijk op basis van valse handtekeningen en stempels heeft aangenomen dat de goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangeboden en pas achteraf de valsheid van de handtekeningen en stempels wordt ontdekt. Uit de uitspraak van het Hof blijkt niet dat de inspecteur zich heeft beroepen op een door hem gedane mededeling en verzoek. De Hoge Raad gaat er daarom van uit dat de inspecteur niet bevoegd was om douanerechten, omzetbelasting en accijnzen te heffen.
De Nederlandse douane reikte uitnodigingen tot betaling uit voor douanerechten, omzetbelasting en accijns die betrekking hadden op partijen sigaretten. Volgens de gedane aangifte zouden de partijen onder de douaneregeling extern douanevervoer via Spanje naar Tunesië worden verscheept. Na onderzoek bleken de stempels en de handtekeningen van de Spaanse douane op de bescheiden die de Nederlandse douane had terug ontvangen vals te zijn. De bescheiden waren niet in de registers van de Spaanse douane opgenomen. Hof Amsterdam verwierp de stelling van de belanghebbende dat de Nederlandse douaneautoriteiten niet heffingsbevoegd waren, omdat de belanghebbende niet had bewezen dat zich buiten Nederland een overtreding of een onregelmatigheid had voorgedaan met betrekking tot deze goederen. Volgens het Hof was voor deze goederen in Nederland een douaneschuld ontstaan.
Uit rechtspraak van het Hof van Justitie EG volgt dat de douaneautoriteiten in het land van vertrek aan de aangever moeten mededelen dat de goederen en het vervoersdocument het kantoor van bestemming niet hebben bereikt. Deze autoriteiten moeten de aangever verzoeken om binnen één jaar te bewijzen waar de overtreding of de onregelmatigheid zich heeft voorgedaan. Zonder zodanige mededeling of verzoek is de inspecteur niet bevoegd om belasting te heffen. Dit geldt ook wanneer de douane aanvankelijk op basis van valse handtekeningen en stempels heeft aangenomen dat de goederen bij het douanekantoor van bestemming zijn aangeboden en pas achteraf de valsheid van de handtekeningen en stempels wordt ontdekt. Uit de uitspraak van het Hof blijkt niet dat de inspecteur zich heeft beroepen op een door hem gedane mededeling en verzoek. De Hoge Raad gaat er daarom van uit dat de inspecteur niet bevoegd was om douanerechten, omzetbelasting en accijnzen te heffen.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u