
Voor bepaalde toepassing van gasolie geldt een verlaagd accijnstarief. Wil de gasolie daarvoor in aanmerking komen, dan moet naast rode kleurstof een hoeveelheid van 6 tot
De bewijslast dat gasolie voldoende herkenningsmiddelen bevat voor laagbelaste doeleinden ligt in beginsel bij de houder van het accijnsgoederendepot. De inspecteur heeft de bevoegdheid om monsters te nemen om te controleren of de gasolie voldoet aan de voorschriften. Ondanks dat in de Wet op de Accijns is opgenomen dat er een ministeriƫle regeling komt waarin is voorgeschreven hoe monsters genomen moeten worden, is deze regeling niet opgesteld. Er bestaan verschillende methoden voor het nemen van een monster uit een tank. Ook bestaan er verschillende analysemethoden voor het bepalen van het gehalte aan Solvent Yellow. Deze verschillende methoden geven afwijkende resultaten.
Het ontbreken van regels over het nemen van monsters verzwakt de rechtspositie van de accijnsplichtigen.
Volgens Hof Den Bosch moet een monsterneming worden gevolgd door een heldere en eenduidige procedure bij het Douane Laboratorium. Daar hoort bij een regeling voor een contraonderzoek. Het niet wijzen op de mogelijkheid tot onderzoek van het contramonster en het vernietigen van het restant van het onderzochte monster voordat het controlerapport aan de belanghebbende is gestuurd is een overschrijding van de grenzen van de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid.
De belanghebbende kwam hierdoor in een onmogelijke bewijspositie terecht. Het Hof vernietigde daarom de opgelegde naheffingsaanslagen accijns.