Betaling was onderdeel vergoeding of anders prijssubsidie
Een charitatieve instelling verkreeg een deel van haar middelen uit de inzameling van textiel. De instelling had daarvoor in diverse gemeenten containers geplaatst en verzorgde huis-aan-huisinzamelingen van kleding. De instelling ontving vergoedingen van de gemeenten voor de inzameling van textiel. Voor deze activiteiten was de instelling ondernemer voor de omzetbelasting. De gemeenten betaalden naast zogenaamde inzameltarieven per ton textiel ook een zogenaamde charitoeslag, die afhankelijk was van de gemiddelde inzameling per inwoner. Deze toeslag stond niet vermeld op de facturen die de instelling verstuurde voor haar diensten. De vraag was of deze toeslag onderdeel was van de vergoeding waarover BTW berekend moest worden. Het standpunt van de instelling was dat het ging om een onverschuldigde betaling door de gemeente. De maatstaf van heffing voor de omzetbelasting is alles wat de ondernemer als tegenprestatie verkrijgt, inclusief subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden. De rechtbank was van oordeel dat de instelling als vergoeding voor haar prestaties met diverse benamingen aangeduide bedragen (waaronder charitoeslag) per ton ingezamelde kleding had bedongen. Alle bedragen die zij uit hoofde van de door haar met de diverse gemeenten gesloten overeenkomsten ontving, behoorden tot de vergoeding. Mocht de charitoeslag als subsidie worden aangemerkt, dan was dat volgens de rechtbank een prijssubsidie. De rechtbank was van oordeel dat de belastingdienst terecht omzetbelasting had nageheven over de ontvangen charitoeslag.
Een charitatieve instelling verkreeg een deel van haar middelen uit de inzameling van textiel. De instelling had daarvoor in diverse gemeenten containers geplaatst en verzorgde huis-aan-huisinzamelingen van kleding. De instelling ontving vergoedingen van de gemeenten voor de inzameling van textiel. Voor deze activiteiten was de instelling ondernemer voor de omzetbelasting. De gemeenten betaalden naast zogenaamde inzameltarieven per ton textiel ook een zogenaamde charitoeslag, die afhankelijk was van de gemiddelde inzameling per inwoner. Deze toeslag stond niet vermeld op de facturen die de instelling verstuurde voor haar diensten. De vraag was of deze toeslag onderdeel was van de vergoeding waarover BTW berekend moest worden. Het standpunt van de instelling was dat het ging om een onverschuldigde betaling door de gemeente. De maatstaf van heffing voor de omzetbelasting is alles wat de ondernemer als tegenprestatie verkrijgt, inclusief subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden. De rechtbank was van oordeel dat de instelling als vergoeding voor haar prestaties met diverse benamingen aangeduide bedragen (waaronder charitoeslag) per ton ingezamelde kleding had bedongen. Alle bedragen die zij uit hoofde van de door haar met de diverse gemeenten gesloten overeenkomsten ontving, behoorden tot de vergoeding. Mocht de charitoeslag als subsidie worden aangemerkt, dan was dat volgens de rechtbank een prijssubsidie. De rechtbank was van oordeel dat de belastingdienst terecht omzetbelasting had nageheven over de ontvangen charitoeslag.