
Een BV had een rekening-courantverhouding met een van haar aandeelhouders. Van 1991 tot en met 2000 was sprake van een schuld. Door aflossingen ontstond in de loop van 2000 een vordering op de aandeelhouder. In deze jaren betaalde de BV geen rentevergoeding aan de aandeelhouder. Met de aandeelhouder werd afgesproken dat indien de vermogenspositie van de BV sterk zou verbeteren, alsnog rente betaald zou worden. In 2002 betaalde de BV een bedrag van € 290.000 aan rente. De vraag was of dit bedrag in mindering kwam op de belastbare winst van de BV. Hof Amsterdam stond dit niet toe omdat de BV op 31 december 2001 geen juridisch afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichting tot rentebetaling had. De BV meende dat de verplichting op 31 december 2001 wel bestond en dat slechts nadere invulling behoefde te worden gegeven aan de hoogte van het rentepercentage en het moment van betaling. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgewezen omdat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is.