Betaalde prijs voor aangeleverde goederen
In een procedure over een aan een afvalverwerkende inrichting opgelegde naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting was aan de orde of bepaalde aangevoerde stoffen afvalstoffen waren of niet. Kenmerk van afvalstoffen is dat de houder zich daarvan wil of moet ontdoen, ongeacht of deze stoffen nog waarde of toepassingsmogelijkheden hebben. Stoffen waarvoor de afvalverwerkende inrichting een positieve prijs betaalt zijn geen afvalstoffen. Hof Leeuwarden is van oordeel dat er geen sprake is van betaling van een positieve prijs wanneer de afvalinrichting achteraf het in rekening gebrachte storttarief crediteert en een vergoeding betaalt aan degene die de afvalstoffen heeft gestort.
Omdat het Hof het beroep van de afvalverwerker op het positieve prijsbeginsel ongemotiveerd heeft verworpen voor zover het ging om stoffen waarvan niet was vastgesteld dat de betaalde prijs achteraf in rekening gebracht was, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof vernietigd en Hof Arnhem opgedragen te onderzoeken of de betaalde prijs van ƒ 2 per ton een reële positieve prijs was.
Volgens het Hof was de prijs in ieder geval onmiskenbaar positief. Gezien de door andere stortplaatsen in dezelfde periode betaalde bedragen die varieerden van ƒ 0 tot ƒ 10 per ton was het Hof van oordeel dat de prijs reëel was. Bij de prijsstelling was rekening gehouden met elders betaalde bedragen en met de transportkosten die de aanbieders moesten maken om de stoffen af te leveren. Er bestond concurrentie met andere stortplaatsen.
In een procedure over een aan een afvalverwerkende inrichting opgelegde naheffingsaanslag afvalstoffenbelasting was aan de orde of bepaalde aangevoerde stoffen afvalstoffen waren of niet. Kenmerk van afvalstoffen is dat de houder zich daarvan wil of moet ontdoen, ongeacht of deze stoffen nog waarde of toepassingsmogelijkheden hebben. Stoffen waarvoor de afvalverwerkende inrichting een positieve prijs betaalt zijn geen afvalstoffen. Hof Leeuwarden is van oordeel dat er geen sprake is van betaling van een positieve prijs wanneer de afvalinrichting achteraf het in rekening gebrachte storttarief crediteert en een vergoeding betaalt aan degene die de afvalstoffen heeft gestort.
Omdat het Hof het beroep van de afvalverwerker op het positieve prijsbeginsel ongemotiveerd heeft verworpen voor zover het ging om stoffen waarvan niet was vastgesteld dat de betaalde prijs achteraf in rekening gebracht was, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof vernietigd en Hof Arnhem opgedragen te onderzoeken of de betaalde prijs van ƒ 2 per ton een reële positieve prijs was.
Volgens het Hof was de prijs in ieder geval onmiskenbaar positief. Gezien de door andere stortplaatsen in dezelfde periode betaalde bedragen die varieerden van ƒ 0 tot ƒ 10 per ton was het Hof van oordeel dat de prijs reëel was. Bij de prijsstelling was rekening gehouden met elders betaalde bedragen en met de transportkosten die de aanbieders moesten maken om de stoffen af te leveren. Er bestond concurrentie met andere stortplaatsen.