Besluit over aftrek BTW in verband met verkoop van aandelen
Onlangs heeft de Hoge Raad bepaald, dat de omzetbelasting die aan een houdstervennootschap in rekening was gebracht voor diensten in het kader van de verkoop van een aandelenpakket in aftrek mocht worden gebracht.De staatssecretaris van Financiƫn heeft de gevolgen van dit en een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2003 voor de omzetbelasting in een besluit uiteengezet. Het gaat om de verkoop van een belang door een houdstermaatschappij, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende situaties. 1. Er is sprake van een passieve holding, dat wil zeggen dat de aankoop, het houden en de verkoop van een aandelenpakket geen economische activiteiten van de holding zijn.2. Er is sprake van een actieve holding, omdat de houdstermaatschappij zich direct of indirect bemoeit met het beheer van de dochtervennootschap met aan BTW onderworpen handelingen als gevolg. Volgens de staatssecretaris is in deze gevallen een meerderheidsbelang vereist.3. De houdstermaatschappij treedt op als handelaar in deelnemingen. Voor de heffing van omzetbelasting brengt dit het volgende mede.Ad 1. In de meeste gevallen vallen de handelingen met betrekking tot de dochtermaatschappij buiten het kader van een onderneming. De hieraan toe te rekenen voorbelasting is niet aftrekbaar.Als de handelingen met betrekking tot de dochtermaatschappij wel binnen het kader van een onderneming vallen, bijvoorbeeld bij een fiscale eenheid, dan horen de hierop betrekking hebbende kosten tot de algemene kosten. De in rekening gebrachte omzetbelasting kan in aftrek worden gebracht. De verkoopopbrengst van de aandelen is niet belast.Ad 2. De handelingen geschieden in het kader van een onderneming. De kosten horen tot de algemene kosten. De voorbelasting kan in aftrek worden gebracht. De verkoopopbrengst van het aandelenpakket is niet belast.Ad 3. De houdstermaatschappij verricht vrijgestelde prestaties. De hieraan toe te rekenen voorbelasting is niet aftrekbaar. Het besluit werkt terug tot 14 maart 2003. Het besluit van 11 augustus 2003 met nummer CPP2003/1951M wordt ingetrokken.
Onlangs heeft de Hoge Raad bepaald, dat de omzetbelasting die aan een houdstervennootschap in rekening was gebracht voor diensten in het kader van de verkoop van een aandelenpakket in aftrek mocht worden gebracht.De staatssecretaris van Financiƫn heeft de gevolgen van dit en een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2003 voor de omzetbelasting in een besluit uiteengezet. Het gaat om de verkoop van een belang door een houdstermaatschappij, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de volgende situaties. 1. Er is sprake van een passieve holding, dat wil zeggen dat de aankoop, het houden en de verkoop van een aandelenpakket geen economische activiteiten van de holding zijn.2. Er is sprake van een actieve holding, omdat de houdstermaatschappij zich direct of indirect bemoeit met het beheer van de dochtervennootschap met aan BTW onderworpen handelingen als gevolg. Volgens de staatssecretaris is in deze gevallen een meerderheidsbelang vereist.3. De houdstermaatschappij treedt op als handelaar in deelnemingen. Voor de heffing van omzetbelasting brengt dit het volgende mede.Ad 1. In de meeste gevallen vallen de handelingen met betrekking tot de dochtermaatschappij buiten het kader van een onderneming. De hieraan toe te rekenen voorbelasting is niet aftrekbaar.Als de handelingen met betrekking tot de dochtermaatschappij wel binnen het kader van een onderneming vallen, bijvoorbeeld bij een fiscale eenheid, dan horen de hierop betrekking hebbende kosten tot de algemene kosten. De in rekening gebrachte omzetbelasting kan in aftrek worden gebracht. De verkoopopbrengst van de aandelen is niet belast.Ad 2. De handelingen geschieden in het kader van een onderneming. De kosten horen tot de algemene kosten. De voorbelasting kan in aftrek worden gebracht. De verkoopopbrengst van het aandelenpakket is niet belast.Ad 3. De houdstermaatschappij verricht vrijgestelde prestaties. De hieraan toe te rekenen voorbelasting is niet aftrekbaar. Het besluit werkt terug tot 14 maart 2003. Het besluit van 11 augustus 2003 met nummer CPP2003/1951M wordt ingetrokken.