
In het kader van een splitsing van de gezamenlijke holding namen beide aandeelhouders eerst ieder een dochter-BV over van de holding voor de nominale waarde van de aandelen. Op deze manier hadden beide aandeelhouders ieder hun eigen holding verkregen. Vervolgens werd het vermogen van de holding zodanig gesplitst, dat iedere persoonlijke holding alle aandelen verkreeg in een van de andere deelnemingen van de gezamenlijke holding. Vanwege het waardeverschil kreeg de ene persoonlijke holding een vordering op de andere. Voor de aanmerkelijk belangclaim op de aandelen van de beide holdings moest de verkrijgingsprijs bij beschikking worden vastgesteld. De adviseur van beide aandeelhouders verzocht de inspecteur om de verkrijgingsprijs van beide persoonlijke holdings vast te stellen op een bedrag van ƒ 273.590. De inspecteur reageerde op het verzoek met een beschikking waarin hij de verkrijgingsprijs van de aandelen in de gesplitste (en verdwenen) holding vaststelde. De hierin genoemde bedragen waren beduidend hoger dan het in het verzoek genoemde bedrag.
Enkele jaren later deelde de inspecteur mee dat de eerdere beschikking geen betrekking had op de verkrijgingsprijs van de aandelen in de persoonlijke holdings. Daarom stelde hij deze alsnog bij beschikking vast conform het eerdere verzoek. Gezien de tekst van de eerdere beschikking was geen sprake van een herziening van deze beschikking, maar van een beschikking waarbij de verkrijgingsprijs van de aandelen in de persoonlijke holdings voor het eerst werd vastgesteld.