
Een commissariaat bij een vennootschap wordt voor de loonbelasting aangemerkt als een dienstbetrekking. Deze fictie werkt door naar de inkomstenbelasting. Dat betekent dat op de vergoeding die de vennootschap aan een commissaris betaalt loonbelasting moet worden ingehouden, terwijl in de inkomstenbelasting geen ruimte bestaat om aftrekposten in mindering te brengen op de ontvangen vergoeding.
Volgens Hof Arnhem geldt de wettelijke fictie niet voor een beroepscommissaris. Dat is iemand die tegen (aanzienlijke) vergoedingen meerdere commissariaten tegelijk vervult. Dat vereist een specifieke deskundigheid en een zelfstandige organisatie van de werkzaamheden. Het Hof kwam tot dat oordeel in een procedure van iemand die vijf commissariaten had, waarvoor hij in
Volgens de Hoge Raad komen de door het Hof vastgestelde kenmerken van de bron van inkomen van de commissaris overeen met de kenmerken van de bron winst uit onderneming. Daartoe behoort het uitoefenen van een zelfstandig beroep. Het aansprakelijkheidsrisico van een commissaris vloeit voort uit de functie zelf, maar de omvang ervan en het risico van het wegvallen van commissariaten en het niet verwerven van nieuwe commissariaten tellen mee bij de beoordeling of sprake is van een onderneming. De Hoge Raad was van oordeel op basis van de in cassatie niet bestreden feiten dat de commissaris een onderneming dreef.