Beroep ontvankelijk omdat inspecteur te lang wachtte met uitspraak op bezwaar
Vooruitlopend op de veranderingen in de belastingwetgeving op het gebied van aanmerkelijk belangwinst per 1 januari 1997 zijn ultimo 1996 nogal wat houders van een aanmerkelijk belang geëmigreerd. De zetel van de BV werd in veel gevallen eveneens verplaatst. Wanneer de BV vervolgens geliquideerd werd na de zetelverplaatsing had de Nederlandse belastingdienst het nakijken, omdat de fiscale claim op de meerwaarde van de aandelen door de emigratie verviel. De Nederlandse belastingdienst heeft dergelijke gevallen bestreden door het standpunt in te nemen dat de BV nog steeds in Nederland gevestigd was. Dat leidde vaak tot langlopende procedures, omdat de inspecteur de tijd nam voor het doen van een feitelijk onderzoek.
In zo’n procedure ging de belanghebbende in beroep omdat de inspecteur te lang had gewacht met het doen van uitspraak op het bezwaarschrift dat hij had ingediend tegen de door de inspecteur aangebrachte correcties op de aangifte. De aanslag was gedagtekend 11 oktober 2001. Het bezwaarschrift werd op 8 november 2001 "pro-forma" ingediend en bij brief van 5 december 2001 gemotiveerd. De inspecteur ging niet in op de verzoeken om uitspraak te doen op het bezwaarschrift, waarna de belanghebbende in beroep ging wegens het niet tijdig doen van uitspraak. Pas op 13 februari 2004 deed de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift.
In zijn verweerschrift bestreed de inspecteur dat de termijn voor het doen van uitspraak was verstreken. Volgens hem was die gaan lopen toen de belanghebbende zijn bezwaarschrift had gemotiveerd, wat volgens de inspecteur op 9 januari 2004 was gedaan. Hof Den Bosch was het niet eens met de inspecteur. Op het moment van opleggen van de aanslag had de inspecteur zijn feitelijk onderzoek nog niet afgerond, zodat het indienen van een summier bezwaarschrift volstond. De nadere motivering van 5 december 2001 van het bezwaarschrift was volgens het Hof voldoende. Het beroep was ontvankelijk omdat het bezwaarschrift voldoende was gemotiveerd en de inspecteur niet binnen een jaar na ontvangst daarvan uitspraak had gedaan. Het Hof stelde vervolgens vast dat de BV waarvan de belanghebbende aandeelhouder was voor de toepassing van het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing geen inwoner van Nederland was, zodat Nederland geen inkomstenbelasting mocht heffen over de liquidatie-uitkering.
Vooruitlopend op de veranderingen in de belastingwetgeving op het gebied van aanmerkelijk belangwinst per 1 januari 1997 zijn ultimo 1996 nogal wat houders van een aanmerkelijk belang geëmigreerd. De zetel van de BV werd in veel gevallen eveneens verplaatst. Wanneer de BV vervolgens geliquideerd werd na de zetelverplaatsing had de Nederlandse belastingdienst het nakijken, omdat de fiscale claim op de meerwaarde van de aandelen door de emigratie verviel. De Nederlandse belastingdienst heeft dergelijke gevallen bestreden door het standpunt in te nemen dat de BV nog steeds in Nederland gevestigd was. Dat leidde vaak tot langlopende procedures, omdat de inspecteur de tijd nam voor het doen van een feitelijk onderzoek.
In zo’n procedure ging de belanghebbende in beroep omdat de inspecteur te lang had gewacht met het doen van uitspraak op het bezwaarschrift dat hij had ingediend tegen de door de inspecteur aangebrachte correcties op de aangifte. De aanslag was gedagtekend 11 oktober 2001. Het bezwaarschrift werd op 8 november 2001 "pro-forma" ingediend en bij brief van 5 december 2001 gemotiveerd. De inspecteur ging niet in op de verzoeken om uitspraak te doen op het bezwaarschrift, waarna de belanghebbende in beroep ging wegens het niet tijdig doen van uitspraak. Pas op 13 februari 2004 deed de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift.
In zijn verweerschrift bestreed de inspecteur dat de termijn voor het doen van uitspraak was verstreken. Volgens hem was die gaan lopen toen de belanghebbende zijn bezwaarschrift had gemotiveerd, wat volgens de inspecteur op 9 januari 2004 was gedaan. Hof Den Bosch was het niet eens met de inspecteur. Op het moment van opleggen van de aanslag had de inspecteur zijn feitelijk onderzoek nog niet afgerond, zodat het indienen van een summier bezwaarschrift volstond. De nadere motivering van 5 december 2001 van het bezwaarschrift was volgens het Hof voldoende. Het beroep was ontvankelijk omdat het bezwaarschrift voldoende was gemotiveerd en de inspecteur niet binnen een jaar na ontvangst daarvan uitspraak had gedaan. Het Hof stelde vervolgens vast dat de BV waarvan de belanghebbende aandeelhouder was voor de toepassing van het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing geen inwoner van Nederland was, zodat Nederland geen inkomstenbelasting mocht heffen over de liquidatie-uitkering.