Berekening voortzettingswaarde onderneming

Wanneer een onderneming deel uitmaakt van een nalatenschap kunnen de erfgenamen een beroep doen op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit ter vermindering van de erfbelasting. Die faciliteit is bedoeld om te voorkomen dat de erfgenamen worden gedwongen het bedrijf te verkopen om de belasting te kunnen betalen. Wanneer de onderneming wordt voortgezet wordt, afhankelijk van de waarde van de onderneming, de gehele waarde of een deel van de waarde van de onderneming vrijgesteld. Voor het deel dat niet is vrijgesteld wordt een conserverende aanslag opgelegd.

 

Uitgangspunt voor de berekening van de belasting is dat het ondernemingsvermogen voor de liquidatiewaarde als erfrechtelijke verkrijging wordt aangegeven. Het verschil tussen de liquidatiewaarde en de voortzettingswaarde van de onderneming wordt als voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde aangemerkt. De voortzettingswaarde wordt gesplitst in een voorwaardelijk onbelast geconserveerd deel en in een belast geconserveerd deel. Over het totaal van voorwaardelijk onbelast geconserveerde waarde en belast geconserveerde waarde wordt een conserverende aanslag successierecht opgelegd.

 

Voor de berekening van de voortzettingswaarde kan gebruik gemaakt worden van een door het ministerie van Financiën in een besluit opgenomen rekenmodel. Het rekenmodel is bedoeld als een eenvoudige waardebepaling op basis van de discounted cashflowmethode. Het rekenmodel laat de schulden van de onderneming buiten beschouwing bij de bepaling van de voortzettingswaarde.

 

De belanghebbende in een procedure bestreed de door de inspecteur met behulp van het rekenmodel berekende voortzettingswaarde omdat hij geen rekening had gehouden met de schulden. Hof Arnhem was van oordeel dat de berekening van de voortzettingswaarde met behulp van het rekenmodel de aftrek van schulden niet toelaat. Wel stond het de belanghebbende vrij om een andere rekenmethode te hanteren. Na cassatie van de uitspraak van het hof door de Hoge Raad oordeelde Hof Den Bosch dat de berekening van de voortzettingswaarde volgens de discounted cashflowmethode uitgaande van de werkelijke cijfers acceptabel was. De belanghebbende ging uit van de aftrek van de schulden en een contant gemaakte restwaarde van de onderneming na 15 jaar zonder de correctie voor de restwaarde van het bietenquotum dat onderdeel was van het bedrijfsvermogen. Vervolgens moest de Hoge Raad er weer aan te pas komen.

 

De Hoge Raad oordeelde dat Hof Den Bosch geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door toe te staan dat de voortzettingswaarde werd berekend volgens de discounted cashflowmethode, waarbij rekening wordt gehouden met de verplichting om de schulden van de onderneming (uiterlijk) bij de beëindiging van de ondernemingsactiviteiten af te lossen.

De Hoge Raad was van oordeel dat het hof ten onrechte de restwaarde van het quotum bij de waardering buiten aanmerking heeft gelaten. In zoverre was het beroep in cassatie gegrond.

Hof Amsterdam moet nu onderzoeken of ten tijde van de verkrijging van de nalatenschap een zodanige kans bestond dat aan het quotum na 15 jaar nog een restwaarde kan worden toegekend, dat daarmee bij de bepaling van de voortzettingswaarde rekening moet worden gehouden.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Wanneer een onderneming deel uitmaakt van een nalatenschap kunnen de erfgenamen een beroep doen op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit ter vermindering van de erfbelasting. Die faciliteit is bedoeld om te voorkomen dat de erfgenamen worden gedwongen het bedrijf te verkopen om de belasting te kunnen betalen. Wanneer de onderneming wordt voortgezet wordt, afhankelijk van de waarde van de onderneming, de gehele waarde of een deel van de waarde van de onderneming vrijgesteld. Voor het deel dat niet is vrijgesteld wordt een conserverende aanslag opgelegd. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><?xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" /><o:p>&nbsp;</o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Uitgangspunt voor de berekening van de belasting is dat het ondernemingsvermogen voor de liquidatiewaarde als erfrechtelijke verkrijging wordt aangegeven. Het verschil tussen de liquidatiewaarde en de voortzettingswaarde van de onderneming wordt als voorwaardelijk onbelaste geconserveerde waarde aangemerkt. De voortzettingswaarde wordt gesplitst in een voorwaardelijk onbelast geconserveerd deel en in een belast geconserveerd deel. Over het totaal van voorwaardelijk onbelast geconserveerde waarde en belast geconserveerde waarde wordt een conserverende aanslag successierecht opgelegd. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><o:p>&nbsp;</o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Voor de berekening van de voortzettingswaarde kan gebruik gemaakt worden van een door het ministerie van Financiën in een besluit opgenomen rekenmodel. Het rekenmodel is bedoeld als een eenvoudige waardebepaling op basis van de discounted cashflowmethode. Het rekenmodel laat de schulden van de onderneming buiten beschouwing bij de bepaling van de voortzettingswaarde. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><o:p>&nbsp;</o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De belanghebbende in een procedure bestreed de door de inspecteur met behulp van het rekenmodel berekende voortzettingswaarde omdat hij geen rekening had gehouden met de schulden. Hof Arnhem was van oordeel dat de berekening van de voortzettingswaarde met behulp van het rekenmodel de aftrek van schulden niet toelaat. Wel stond het de belanghebbende vrij om een andere rekenmethode te hanteren. Na cassatie van de uitspraak van het hof door de Hoge Raad oordeelde Hof Den Bosch dat de berekening van de voortzettingswaarde volgens de discounted cashflowmethode uitgaande van de werkelijke cijfers acceptabel was. De belanghebbende ging uit van de aftrek van de schulden en een contant gemaakte restwaarde van de onderneming na 15 jaar zonder de correctie voor de restwaarde van het bietenquotum dat onderdeel was van het bedrijfsvermogen. Vervolgens moest de Hoge Raad er weer aan te pas komen. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De Hoge Raad oordeelde dat Hof Den Bosch geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door toe te staan dat de voortzettingswaarde werd berekend volgens de discounted cashflowmethode, waarbij rekening wordt gehouden met de verplichting om de schulden van de onderneming (uiterlijk) bij de beëindiging van de ondernemingsactiviteiten af te lossen.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De Hoge Raad was van oordeel dat het hof ten onrechte de restwaarde van het quotum bij de waardering buiten aanmerking heeft gelaten. In zoverre was het beroep in cassatie gegrond. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Hof Amsterdam moet nu onderzoeken of ten tijde van de verkrijging van de nalatenschap een zodanige kans bestond dat aan het quotum na 15 jaar nog een restwaarde kan worden toegekend, dat daarmee bij de bepaling van de voortzettingswaarde rekening moet worden gehouden.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u