Berekening hoogte vervangingsreserve
Onder de Wet IB 1964 kon een ondernemer een vervangingsreserve vormen voor de meeropbrengst bij verlies, beschadiging of vervreemding van een bedrijfsmiddel boven de boekwaarde van het bedrijfsmiddel. Voorwaarde was dat de ondernemer het voornemen had om tot vervanging of herstel van het bedrijfsmiddel over te gaan. Over de in de vervangingsreserve opgenomen boekwinst hoefde de ondernemer geen belasting te betalen. De vervangingsreserve werd als eerste afschrijving gebruikt op de kostprijs van het vervangende bedrijfsmiddel, waardoor de afschrijving ten laste van de winst op het vervangende bedrijfsmiddel werd beperkt. De opbrengst bij vervreemding was volgens een arrest van de Hoge Raad uit 1970 “datgene wat bij vervreemding van een bedrijfsmiddel in werkelijkheid wordt verkregen”.
Bij de verkoop van landbouwgrond door een ondernemer aan de gemeente gold een prijs van ƒ 29 per vierkante meter en een nader vast te stellen meerprijs. De hoogte van die meerprijs was afhankelijk van de belasting die de verkoper verschuldigd zou kunnen zijn over het verschil tussen de verkoopprijs en de WEVAB van de percelen grond. Deze meerprijs was ook verschuldigd indien geen inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn over het verschil. Volgens Hof Leeuwarden was de meerprijs geen belastingvergoeding maar een onderdeel van de tegenprestatie voor de verkrijging van de eigendom van de grond. Volgens het Hof mocht voor de gehele verkoopwinst een vervangingsreserve worden gevormd. De inspecteur had dat niet toegestaan omdat hij van mening was dat de meerprijs een belastingvergoeding was die geen onderdeel van de tegenprestatie vormde.
Onder de Wet IB 1964 kon een ondernemer een vervangingsreserve vormen voor de meeropbrengst bij verlies, beschadiging of vervreemding van een bedrijfsmiddel boven de boekwaarde van het bedrijfsmiddel. Voorwaarde was dat de ondernemer het voornemen had om tot vervanging of herstel van het bedrijfsmiddel over te gaan. Over de in de vervangingsreserve opgenomen boekwinst hoefde de ondernemer geen belasting te betalen. De vervangingsreserve werd als eerste afschrijving gebruikt op de kostprijs van het vervangende bedrijfsmiddel, waardoor de afschrijving ten laste van de winst op het vervangende bedrijfsmiddel werd beperkt. De opbrengst bij vervreemding was volgens een arrest van de Hoge Raad uit 1970 “datgene wat bij vervreemding van een bedrijfsmiddel in werkelijkheid wordt verkregen”.
Bij de verkoop van landbouwgrond door een ondernemer aan de gemeente gold een prijs van ƒ 29 per vierkante meter en een nader vast te stellen meerprijs. De hoogte van die meerprijs was afhankelijk van de belasting die de verkoper verschuldigd zou kunnen zijn over het verschil tussen de verkoopprijs en de WEVAB van de percelen grond. Deze meerprijs was ook verschuldigd indien geen inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn over het verschil. Volgens Hof Leeuwarden was de meerprijs geen belastingvergoeding maar een onderdeel van de tegenprestatie voor de verkrijging van de eigendom van de grond. Volgens het Hof mocht voor de gehele verkoopwinst een vervangingsreserve worden gevormd. De inspecteur had dat niet toegestaan omdat hij van mening was dat de meerprijs een belastingvergoeding was die geen onderdeel van de tegenprestatie vormde.