
Gedurende enkele jaren werd bij de berekening van heffingsrente over aanslagen inkomstenbelasting uitgegaan van de fictie dat het belastbare inkomen, en dus ook de belastingschuld, gelijkmatig aangroeit gedurende het kalenderjaar. De heffingsrente werd daarom berekend vanaf 1 juli van het belastingjaar. Met pieken en dalen in het inkomen gedurende het jaar werd geen rekening gehouden. Dat leidde soms tot de vreemde consequentie dat rente werd berekend over een periode voordat het voordeel waarover belasting moest worden betaald was genoten.
In een door de Hoge Raad berecht geval ging het om een winst bij verkoop van aanmerkelijkbelangaandelen van € 70 miljoen op 30 november. Daarover moest € 17,5 miljoen inkomstenbelasting betaald worden. Bij het opleggen van de voorlopige aanslag werd bijna
€ 450.000 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Volgens de Hoge Raad is dat systeem van berekenen van heffingsrente niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Hof Arnhem meende eerder dat dit wel het geval was. Het systeem van berekenen van heffingsrente is niet doorslaggevend bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een buitensporige last zoals in het EVRM bedoeld. Ook de hoogte van de rente was, gezien de omvang van de bate en de daarover verschuldigde inkomstenbelasting, geen aanleiding om een individuele buitensporige last aan te nemen.