
De omzetbelasting die drukt op een auto die behoort tot het ondernemingsvermogen komt in zijn geheel als voorbelasting in aftrek indien de ondernemer belaste prestaties verricht. Wanneer de auto niet alleen zakelijk maar ook privé wordt gebruikt, moet bij de laatste aangifte over een kalenderjaar een correctie op de aftrek van voorbelasting plaatsvinden vanwege dat privégebruik. De correctie is gerelateerd aan de correctie op de winst in de inkomstenbelasting. Wanneer minder dan
Een ondernemer die in het jaar 2006 meer dan
De rechtbank wees het beroep van de ondernemer af en verwees daarbij naar arresten van de Hoge Raad uit 2000 en 2005. De ondernemer ging in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank. Op het beroep in cassatie bleek dat de Hoge Raad door recente jurisprudentie van het Hof van Justitie EU is gaan twijfelen aan de juistheid van zijn eerdere arresten. In die arresten had de Hoge Raad geoordeeld dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de verschuldigdheid van omzetbelasting wegens het privégebruik van een auto in strijd is met de Zesde EU-richtlijn, ondanks diverse wijzigingen in de Nederlandse regeling na de inwerkingtreding van deze richtlijn. Deze wijzigingen hebben het bedrag aan omzetbelasting dat voor aftrek in aanmerking kwam meestal beperkt.
Vanwege de ontstane twijfel heeft de Hoge Raad aan het Hof van Justitie EU de vraag voorgelegd of het in strijd is met de Zesde richtlijn om een aftrekbeperkende regeling te wijzigen door het bedrag dat niet voor aftrek in aanmerking komt te verhogen wanneer de hoofdgedachte en de systematiek van de aftrekbeperkende regeling ongewijzigd zijn.
Voor het geval het antwoord op deze vraag bevestigend luidt wil de Hoge Raad weten of de nationale rechter de aftrekbeperkende regeling dan geheel of gedeeltelijk buiten toepassing moet laten. Met gedeeltelijk buiten toepassing laten wordt bedoeld beperking tot de bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn bestaande uitsluiting of beperking van aftrek.