
Bij het indienen van een bezwaar- of beroepschrift kan om een proceskostenvergoeding worden gevraagd. Bij honorering van het bezwaar of beroep zal een dergelijke vergoeding worden verleend voor gemaakte kosten van professionele rechtsbijstand. In de regel gaat het om een forfaitair vastgestelde vergoeding. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding wordt een wegingsfactor toegepast die afhankelijk is van de zwaarte van de zaak. De wegingsfactor varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak.
Nadat de inspecteur een proceskostenvergoeding had toegekend met wegingsfactor 0,25 (zeer licht), ging de belanghebbende in beroep. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur had moeten onderbouwen waarom het gewicht van de zaak zeer licht was. Omdat de inspecteur dat niet had gedaan, stelde de rechtbank de wegingsfactor op 1.
De Hoge Raad deelt deze opvatting niet. De regels van stel- en bewijsplicht gelden niet voor de proceskostenvergoeding. De beoordelende instantie moet zelfstandig beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. De opvatting van de rechtbank is daarmee in strijd.