
Wie in Nederland woont wordt voor de toepassing van de Algemene Kinderbijslag Wet als ingezetene aangemerkt. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Bij deze beoordeling moet met alle relevante omstandigheden rekening worden gehouden. Wanneer er gelet op deze omstandigheden een duurzame persoonlijke band bestaat tussen de betrokkene en Nederland, woont de betrokkene in Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met een ander land. Het is dus niet nodig dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt.
Economische banden, zoals door het verrichten van betaald werk, met Nederland zijn niet vereist.
De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak over een aanvraag om kinderbijslag iemands woonplaats beoordeeld aan de hand van het bestaan van een juridische, economische en sociale binding met Nederland. De betrokkene was een asielzoeker aan wie de gevraagde verblijfsvergunning aanvankelijk was geweigerd, maar later alsnog werd verleend. De Centrale Raad van Beroep meende dat een economische binding met Nederland nodig was omdat een sterke juridische binding ontbrak. Omdat de betrokkene geen betaald werk verrichtte maar studeerde, ontbrak de economische binding. De Centrale Raad van Beroep meende daarom dat de betrokkene niet in Nederland woonde. De Hoge Raad heeft gezegd dat de Centrale Raad van Beroep blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De Centrale Raad van Beroep moet de zaak nogmaals beoordelen.