
De staatssecretaris van Financiën heeft een notitie over de belastingplicht van overheidsbedrijven naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze notitie wordt ingegaan op voor- en nadelen van het betrekken van overheidsbedrijven in de heffing van vennootschapsbelasting op dezelfde wijze als commerciële partijen.
Achtergrond hiervan is de bezorgdheid over mogelijke concurrentieverstoring bij activiteiten die zowel worden verricht door de overheid als door private partijen. Als overheidsbedrijven en particuliere ondernemingen niet op dezelfde wijze over hun winsten belasting moeten betalen, kunnen overheidsbedrijven oneigenlijke voordelen behalen. De huidige wettelijke bepaling over de belastingplicht van overheidsbedrijven is sinds 1956 niet wezenlijk gewijzigd. De invoering van de zogenaamde ondernemingsvariant voor overheidsbedrijven zal leiden tot extra administratieve lasten, omdat er een fiscale openingsbalans moet worden opgesteld en in veel gevallen ook een aparte boekhouding moet worden opgezet. Vanwege dergelijke bezwaren heeft de staatssecretaris gezocht naar alternatieven. De indirecte ondernemingsvariant heeft zijn voorkeur. Deze variant behandelt indirecte overheidsbedrijven voor de vennootschapsbelasting gelijk aan andere marktpartijen.
Het is niet de bedoeling dat invoering van deze variant leidt tot nieuwe ongelijkheid doordat de ene gemeente activiteiten onderbrengt in een indirect overheidsbedrijf en een andere gemeente eenzelfde activiteit onderbrengt in een privaatrechtelijk lichaam. Er zullen afspraken worden gemaakt over welke activiteiten door publiekrechtelijke lichamen moeten worden ondergebracht in een apart lichaam.