Belastingadvies DGA betaald door BV
De enige aandeelhouder van twee houdstermaatschappijen kocht in 1987 alle aandelen in een lege BV met een gestort kapitaal van ƒ 12.000.000. Na een daartoe gedaan verzoek merkte de inspecteur der vennootschapsbelasting de ruil van alle aandelen in de beide houdstermaatschappijen tegen aandelen van de lege BV aan als een fusie in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 1964. De inspecteur der inkomstenbelasting legde een navorderingsaanslag op die betrekking had voor het met de overdracht van de aandelen behaalde voordeel. Er volgde een procedure over deze navorderingsaanslag. De kosten van de belastingadviseur in deze procedure werden in rekening gebracht aan een van de concernmaatschappijen en werden niet doorberekend aan de DGA. Volgens Hof Amsterdam hadden deze kosten wel doorberekend moeten worden omdat er geen verband was met de belastingheffing van de bij de fusie betrokken vennootschappen. De Hoge Raad heeft deze uitspraak bevestigd. Volgens de Hoge Raad kan het voeren van een procedure over de fusiefaciliteit in de inkomstenbelasting ook het zakelijke belang van de betrokken vennootschap(pen) dienen. In dit geval bleek echter dat met de procedure uitsluitend de privébelangen van de DGA waren gediend. De kosten van de procedure waren daarom geen ondernemingskosten.
De enige aandeelhouder van twee houdstermaatschappijen kocht in 1987 alle aandelen in een lege BV met een gestort kapitaal van ƒ 12.000.000. Na een daartoe gedaan verzoek merkte de inspecteur der vennootschapsbelasting de ruil van alle aandelen in de beide houdstermaatschappijen tegen aandelen van de lege BV aan als een fusie in de zin van de Wet Inkomstenbelasting 1964. De inspecteur der inkomstenbelasting legde een navorderingsaanslag op die betrekking had voor het met de overdracht van de aandelen behaalde voordeel. Er volgde een procedure over deze navorderingsaanslag. De kosten van de belastingadviseur in deze procedure werden in rekening gebracht aan een van de concernmaatschappijen en werden niet doorberekend aan de DGA. Volgens Hof Amsterdam hadden deze kosten wel doorberekend moeten worden omdat er geen verband was met de belastingheffing van de bij de fusie betrokken vennootschappen. De Hoge Raad heeft deze uitspraak bevestigd. Volgens de Hoge Raad kan het voeren van een procedure over de fusiefaciliteit in de inkomstenbelasting ook het zakelijke belang van de betrokken vennootschap(pen) dienen. In dit geval bleek echter dat met de procedure uitsluitend de privébelangen van de DGA waren gediend. De kosten van de procedure waren daarom geen ondernemingskosten.