Belang bij fusie was voldoende zakelijk voor daarbij noodzakelijke splitsing

Een concern wilde de moedermaatschappij van een ander concern overnemen om zo de marktpositie te versterken. Voor deze overname was de goedkeuring van de Europese Commissie nodig. De Europese Commissie verleende de goedkeuring onder de voorwaarde dat een deel van de activiteiten van het over te nemen concern zou worden afgestoten. Dat gebeurde in de vorm van de afsplitsing van een deel van de activiteiten van een dochtermaatschappij. Het afgesplitste deel werd in een nieuw opgerichte BV ondergebracht. Kort daarna werden de aandelen van die nieuwe BV verkocht aan een derde.De inspecteur weigerde de toepassing van de faciliteit uit de Wet op de vennootschapsbelasting voor splitsingen wegens het ontbreken van overwegend zakelijke motieven voor de splitsing. Na de splitsing werd de overname van het concern afgerond door een aantal fusies. In geschil was of de motieven voor de splitsing in voldoende mate zakelijk waren om de splitsingsfaciliteit toe te passen. Hof Den Haag oordeelde dat de zakelijkheid van deze motieven moest worden beoordeeld vanuit de positie van de bij de splitsing betrokken vennootschappen. In dit geval moest deze toetsing van zakelijke motieven plaats vinden binnen het kader van de overname van het ene concern door het andere en de voorgenomen integratie van de activiteiten in Nederland. Volgens Europese regelgeving moesten de afgestoten activiteiten in een levensvatbaar bedrijfsonderdeel worden ingebracht. Dat houdt in dat het bedrijfsonderdeel moet kunnen concurreren met de fusieonderneming. Naar het oordeel van het Hof had de voor de afsplitsing opgerichte BV de ondernemingsactiviteiten verkregen tegen uitreiking van eigen aandelen op grond van zakelijke overwegingen. Hoewel de samenvoeging van de concerns een ruimer perspectief had dan de Nederlandse activiteiten, vond het Hof aannemelijk dat de fusievoordelen en de versterking van de marktpositie ook op de Nederlandse ondernemingen van beide partners betrekking hadden. Gezien de jaarlijks te behalen synergievoordelen die werden geschat op € vijf miljoen per jaar was de daarvoor noodzakelijke afsplitsing in overwegende mate ingegeven door zakelijke overwegingen. Niet van belang voor toepassing van de splitsingsfaciliteit was dat voor de afsplitsing al vaststond dat de daarbij verkregen aandelen zouden worden afgestoten of dat de vervreemding tegen contanten zou geschieden. De voorwaarde die de Commissie aan de overname had gesteld, hield in dat het nieuwe concern geen belang in de afgestoten activiteiten mocht behouden. Een verkoop van de aandelen was daarvoor de aangewezen weg. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en verleende toestemming voor een gefacilieerde splitsing.
Een concern wilde de moedermaatschappij van een ander concern overnemen om zo de marktpositie te versterken. Voor deze overname was de goedkeuring van de Europese Commissie nodig. De Europese Commissie verleende de goedkeuring onder de voorwaarde dat een deel van de activiteiten van het over te nemen concern zou worden afgestoten. Dat gebeurde in de vorm van de afsplitsing van een deel van de activiteiten van een dochtermaatschappij. Het afgesplitste deel werd in een nieuw opgerichte BV ondergebracht. Kort daarna werden de aandelen van die nieuwe BV verkocht aan een derde.De inspecteur weigerde de toepassing van de faciliteit uit de Wet op de vennootschapsbelasting voor splitsingen wegens het ontbreken van overwegend zakelijke motieven voor de splitsing. Na de splitsing werd de overname van het concern afgerond door een aantal fusies. In geschil was of de motieven voor de splitsing in voldoende mate zakelijk waren om de splitsingsfaciliteit toe te passen. Hof Den Haag oordeelde dat de zakelijkheid van deze motieven moest worden beoordeeld vanuit de positie van de bij de splitsing betrokken vennootschappen. In dit geval moest deze toetsing van zakelijke motieven plaats vinden binnen het kader van de overname van het ene concern door het andere en de voorgenomen integratie van de activiteiten in Nederland. Volgens Europese regelgeving moesten de afgestoten activiteiten in een levensvatbaar bedrijfsonderdeel worden ingebracht. Dat houdt in dat het bedrijfsonderdeel moet kunnen concurreren met de fusieonderneming. Naar het oordeel van het Hof had de voor de afsplitsing opgerichte BV de ondernemingsactiviteiten verkregen tegen uitreiking van eigen aandelen op grond van zakelijke overwegingen. Hoewel de samenvoeging van de concerns een ruimer perspectief had dan de Nederlandse activiteiten, vond het Hof aannemelijk dat de fusievoordelen en de versterking van de marktpositie ook op de Nederlandse ondernemingen van beide partners betrekking hadden. Gezien de jaarlijks te behalen synergievoordelen die werden geschat op € vijf miljoen per jaar was de daarvoor noodzakelijke afsplitsing in overwegende mate ingegeven door zakelijke overwegingen. Niet van belang voor toepassing van de splitsingsfaciliteit was dat voor de afsplitsing al vaststond dat de daarbij verkregen aandelen zouden worden afgestoten of dat de vervreemding tegen contanten zou geschieden. De voorwaarde die de Commissie aan de overname had gesteld, hield in dat het nieuwe concern geen belang in de afgestoten activiteiten mocht behouden. Een verkoop van de aandelen was daarvoor de aangewezen weg. Het Hof verklaarde het beroep gegrond en verleende toestemming voor een gefacilieerde splitsing.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u