Begrippen inrichting en afvalstof voor de afvalstoffenbelasting

Voor de heffing van afvalstoffenbelasting is de term 'inrichting' een belangrijk begrip. De subjectieve belastingplicht en het belastbare feit zijn afhankelijk van de uitleg van dit begrip. De wetgever heeft het begrip inrichting gedefinieerd in de Wet Belastingen op Milieugrondslag (Wbm). Bepalend is het verwerken van afvalstoffen die van buiten afkomstig zijn. In een procedure wilde een stortplaats samen met een aantal papierfabrieken en een bijbehorende zuiveringsinstallatie als één inrichting worden aangemerkt om de vrijstelling voor afvalverwerking in eigen beheer te kunnen toepassen. Deze vrijstelling voor afvalverwerking in eigen beheer is overigens met de inwerkingtreding van het Belastingplan 2001 vervallen. Het Hof was van oordeel dat de stortplaats een inrichting was in de zin van de Wbm. Volgens de Hoge Raad kon er van één inrichting geen sprake zijn omdat de papierfabrieken door andere rechtspersonen werden geëxploiteerd. Het ging om zelfstandige en afzonderlijk functionerende bedrijfsinstallaties. Er was geen sprake van een verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen, door wel belasting te heffen bij de afgifte van afvalstoffen aan inrichtingen en niet te heffen bij de verwerking van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan.De wetgever overtrad volgens de Hoge Raad daarmee de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet.Bij de productie van papier werd gebruik gemaakt van oud papier. Om het oude papier geschikt te maken voor het productieproces werd het na toevoeging van water vermalen en ontdaan van grove verontreinigingen zoals plastic, nietjes en paperclips. Hof Arnhem merkte deze grove verontreinigingen met het aanhangende water aan als één afvalstof. De exploitant van de stortplaats bestreed dat oordeel van het Hof. Volgens de exploitant was het aanhangende water (afzonderlijk) afvalwater. Volgens de Hoge Raad hield het oordeel van het Hof in dat het aanhangende water niet van de grove verontreinigingen te onderscheiden was. Het Hof gaf daarmee geen onjuiste uitlegging aan het begrip afvalstof.
Voor de heffing van afvalstoffenbelasting is de term 'inrichting' een belangrijk begrip. De subjectieve belastingplicht en het belastbare feit zijn afhankelijk van de uitleg van dit begrip. De wetgever heeft het begrip inrichting gedefinieerd in de Wet Belastingen op Milieugrondslag (Wbm). Bepalend is het verwerken van afvalstoffen die van buiten afkomstig zijn. In een procedure wilde een stortplaats samen met een aantal papierfabrieken en een bijbehorende zuiveringsinstallatie als één inrichting worden aangemerkt om de vrijstelling voor afvalverwerking in eigen beheer te kunnen toepassen. Deze vrijstelling voor afvalverwerking in eigen beheer is overigens met de inwerkingtreding van het Belastingplan 2001 vervallen. Het Hof was van oordeel dat de stortplaats een inrichting was in de zin van de Wbm. Volgens de Hoge Raad kon er van één inrichting geen sprake zijn omdat de papierfabrieken door andere rechtspersonen werden geëxploiteerd. Het ging om zelfstandige en afzonderlijk functionerende bedrijfsinstallaties. Er was geen sprake van een verboden ongelijke behandeling van gelijke gevallen, door wel belasting te heffen bij de afgifte van afvalstoffen aan inrichtingen en niet te heffen bij de verwerking van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan.De wetgever overtrad volgens de Hoge Raad daarmee de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet.Bij de productie van papier werd gebruik gemaakt van oud papier. Om het oude papier geschikt te maken voor het productieproces werd het na toevoeging van water vermalen en ontdaan van grove verontreinigingen zoals plastic, nietjes en paperclips. Hof Arnhem merkte deze grove verontreinigingen met het aanhangende water aan als één afvalstof. De exploitant van de stortplaats bestreed dat oordeel van het Hof. Volgens de exploitant was het aanhangende water (afzonderlijk) afvalwater. Volgens de Hoge Raad hield het oordeel van het Hof in dat het aanhangende water niet van de grove verontreinigingen te onderscheiden was. Het Hof gaf daarmee geen onjuiste uitlegging aan het begrip afvalstof.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u