Bedrijfswaarde landbouwgrond niet lager door aangaan pachtovereenkomst
In een maatschap werden twee agrarische bedrijven samengevoegd. Het ging om een akkerbouwbedrijf dat door een van de vennoten werd ingebracht en een varkensbedrijf dat door de andere vennoot werd ingebracht. Bij beƫindiging van de maatschap had iedere vennoot het recht om de door hem ingebrachte tak voort te zetten. De vennoot die het akkerbouwbedrijf inbracht sloot een pachtovereenkomst voor de grond met de maatschap. De verpachtende vennoot was een maatschap die de economische eigendom van de grond had. De juridische eigendom berustte bij de vier leden van deze maatschap. Vanwege de gesloten pachtovereenkomst wilde een van de leden de grond afwaarderen tot de lagere bedrijfswaarde. Hof Leeuwarden vond echter een lagere bedrijfswaarde van de grond niet aannemelijk. Door het aangaan van de maatschap daalde de winstbetrokkenheid bij het akkerbouwbedrijf, maar daar stond een winstrecht in het varkensbedrijf tegenover. Uitgaande van zakelijk handelende partners veronderstelde het Hof daarbij een gelijke winstcapaciteit. Eventuele complicaties uit de pachtovereenkomst zouden, zo veronderstelde het Hof, gecompenseerd worden door voordelen uit de maatschap, zodat ook daaruit geen lagere bedrijfswaarde van de grond kon ontstaan.
In een maatschap werden twee agrarische bedrijven samengevoegd. Het ging om een akkerbouwbedrijf dat door een van de vennoten werd ingebracht en een varkensbedrijf dat door de andere vennoot werd ingebracht. Bij beƫindiging van de maatschap had iedere vennoot het recht om de door hem ingebrachte tak voort te zetten. De vennoot die het akkerbouwbedrijf inbracht sloot een pachtovereenkomst voor de grond met de maatschap. De verpachtende vennoot was een maatschap die de economische eigendom van de grond had. De juridische eigendom berustte bij de vier leden van deze maatschap. Vanwege de gesloten pachtovereenkomst wilde een van de leden de grond afwaarderen tot de lagere bedrijfswaarde. Hof Leeuwarden vond echter een lagere bedrijfswaarde van de grond niet aannemelijk. Door het aangaan van de maatschap daalde de winstbetrokkenheid bij het akkerbouwbedrijf, maar daar stond een winstrecht in het varkensbedrijf tegenover. Uitgaande van zakelijk handelende partners veronderstelde het Hof daarbij een gelijke winstcapaciteit. Eventuele complicaties uit de pachtovereenkomst zouden, zo veronderstelde het Hof, gecompenseerd worden door voordelen uit de maatschap, zodat ook daaruit geen lagere bedrijfswaarde van de grond kon ontstaan.