Bedrijfspand ten onrechte als privévermogen aangemerkt
Een vennootschap onder firma exploiteerde een garagebedrijf. Het bedrijfspand was eigendom van beide firmanten en werd door een van hen sinds de verkrijging in 1984 aangemerkt als privévermogen. Tot 1988 was er een derde firmant. Naar aanleiding van diens overlijden verzochten de twee overgebleven firmanten de inspecteur om een boekenonderzoek in te stellen. Het doel daarvan was om vast te stellen of de tot dan toe ingediende belastingaangiften aanleiding konden geven tot correcties. In het controlerapport stond het bedrijfspand onder het kopje ‘PRIVÉVERMOGEN’ vermeld. Bij de verkoop van zijn aandeel in het bedrijfspand aan de medefirmant in 2000 paste de inspecteur de foutenleer toe en telde hij de boekwinst op het bedrijfspand ad ƒ 168.151 bij de winst uit onderneming. De vraag was of de inspecteur de winst terecht verhoogde met de boekwinst op het bedrijfspand. De firmant was van mening dat het pand weliswaar vanaf het begin als ondernemingsvermogen aangemerkt had moeten worden, maar dat de inspecteur bij het boekenonderzoek bij hem het vertrouwen had opgewekt dat de inspecteur de gemaakte keuze accepteerde. Volgens de rechtbank had de inspecteur door zijn handelswijze inderdaad de indruk gewekt dat hij met gemaakte de keuze instemde. Toch kon dat niet leiden tot het in rechte te beschermen vertrouwen dat de inspecteur in een later jaar de gerealiseerde boekwinst niet zou belasten. Gelet op de bestemming en het uitsluitende gebruik van het bedrijfspand voor de onderneming was duidelijk dat het pand verplicht ondernemingsvermogen was. De indruk die de inspecteur had gewekt bij het boekenonderzoek in 1991 was zozeer in strijd met het recht, dat de firmant geen beroep kon doen op daardoor gewekt in rechte te beschermen vertrouwen.
Een vennootschap onder firma exploiteerde een garagebedrijf. Het bedrijfspand was eigendom van beide firmanten en werd door een van hen sinds de verkrijging in 1984 aangemerkt als privévermogen. Tot 1988 was er een derde firmant. Naar aanleiding van diens overlijden verzochten de twee overgebleven firmanten de inspecteur om een boekenonderzoek in te stellen. Het doel daarvan was om vast te stellen of de tot dan toe ingediende belastingaangiften aanleiding konden geven tot correcties. In het controlerapport stond het bedrijfspand onder het kopje ‘PRIVÉVERMOGEN’ vermeld. Bij de verkoop van zijn aandeel in het bedrijfspand aan de medefirmant in 2000 paste de inspecteur de foutenleer toe en telde hij de boekwinst op het bedrijfspand ad ƒ 168.151 bij de winst uit onderneming. De vraag was of de inspecteur de winst terecht verhoogde met de boekwinst op het bedrijfspand. De firmant was van mening dat het pand weliswaar vanaf het begin als ondernemingsvermogen aangemerkt had moeten worden, maar dat de inspecteur bij het boekenonderzoek bij hem het vertrouwen had opgewekt dat de inspecteur de gemaakte keuze accepteerde. Volgens de rechtbank had de inspecteur door zijn handelswijze inderdaad de indruk gewekt dat hij met gemaakte de keuze instemde. Toch kon dat niet leiden tot het in rechte te beschermen vertrouwen dat de inspecteur in een later jaar de gerealiseerde boekwinst niet zou belasten. Gelet op de bestemming en het uitsluitende gebruik van het bedrijfspand voor de onderneming was duidelijk dat het pand verplicht ondernemingsvermogen was. De indruk die de inspecteur had gewekt bij het boekenonderzoek in 1991 was zozeer in strijd met het recht, dat de firmant geen beroep kon doen op daardoor gewekt in rechte te beschermen vertrouwen.