Bedrijfsfusievrijstelling kapitaalsbelasting niet van toepassing
Bij het oprichten van een vennootschap moest in het verleden kapitaalsbelasting worden betaald over het bedrag van de storting op aandelen. In 1997 bedroeg de belasting 1% van het gestorte bedrag. De wet kende een vrijstelling van kapitaalsbelasting voor het doorstorten van kapitaal. Een vennootschap kon op deze manier een dochtervennootschap oprichten zonder kapitaalsbelasting te hoeven betalen. Met een beroep op deze vrijstelling werd een keten van vennootschappen opgericht. De vennootschappen werden op de dag van oprichting verkocht aan de vijf kinderen van een gezin. Zo ontstonden er vijf persoonlijke holdings, waardoor alle kinderen éénvijfde aandeel in een beheermaatschappij hadden gekregen. De bedoeling was om op termijn het belang van de ouders bij de beheermaatschappij volledig te laten overgaan op de kinderen. Op het bij de vijf persoonlijke houdstermaatschappijen uitgegeven aandelenkapitaal was in totaal ƒ 91.000.000 gestort. Zouden de vijf vennootschappen afzonderlijk zijn opgericht, dus zonder gebruik te maken van de doorstortfaciliteit, dan zou iedere vennootschap kapitaalsbelasting verschuldigd zijn geworden over een bedrag van ruim ƒ 18.000.000 en zou in totaal over het gehele bedrag van ƒ 91.000.000 kapitaalsbelasting zijn geheven. Nu was alleen door de eerste vennootschap over een bedrag van ruim ƒ 18.000.000 kapitaalsbelasting voldaan. Naar de letter van de wet was dit juist. In beginsel staat het een belastingplichtige vrij om de fiscaal minst belastende weg te volgen om een bepaald doel te bereiken. Het is echter niet toegestaan om allerlei kunstgrepen toe te passen met als enig doel het vermijden van belastingheffing. In dit geval werd de vrijstelling geweigerd wegens handelen in strijd met doel en strekking van de wet. Een deel van de rechtshandelingen werd namelijk onmiddellijk ongedaan gemaakt. Zodra de eerste vennootschap een dochtermaatschappij had opgericht, waarbij de aandelen werden volgestort door inbreng van het gehele vermogen van de oprichtende vennootschap, verkocht de oprichtster de aandelen weer. Dezelfde serie handelingen werd nadien nog vier keer verricht. Naar het oordeel van Hof Arnhem was op deze manier gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet.
Bij het oprichten van een vennootschap moest in het verleden kapitaalsbelasting worden betaald over het bedrag van de storting op aandelen. In 1997 bedroeg de belasting 1% van het gestorte bedrag. De wet kende een vrijstelling van kapitaalsbelasting voor het doorstorten van kapitaal. Een vennootschap kon op deze manier een dochtervennootschap oprichten zonder kapitaalsbelasting te hoeven betalen. Met een beroep op deze vrijstelling werd een keten van vennootschappen opgericht. De vennootschappen werden op de dag van oprichting verkocht aan de vijf kinderen van een gezin. Zo ontstonden er vijf persoonlijke holdings, waardoor alle kinderen éénvijfde aandeel in een beheermaatschappij hadden gekregen. De bedoeling was om op termijn het belang van de ouders bij de beheermaatschappij volledig te laten overgaan op de kinderen. Op het bij de vijf persoonlijke houdstermaatschappijen uitgegeven aandelenkapitaal was in totaal ƒ 91.000.000 gestort. Zouden de vijf vennootschappen afzonderlijk zijn opgericht, dus zonder gebruik te maken van de doorstortfaciliteit, dan zou iedere vennootschap kapitaalsbelasting verschuldigd zijn geworden over een bedrag van ruim ƒ 18.000.000 en zou in totaal over het gehele bedrag van ƒ 91.000.000 kapitaalsbelasting zijn geheven. Nu was alleen door de eerste vennootschap over een bedrag van ruim ƒ 18.000.000 kapitaalsbelasting voldaan. Naar de letter van de wet was dit juist. In beginsel staat het een belastingplichtige vrij om de fiscaal minst belastende weg te volgen om een bepaald doel te bereiken. Het is echter niet toegestaan om allerlei kunstgrepen toe te passen met als enig doel het vermijden van belastingheffing. In dit geval werd de vrijstelling geweigerd wegens handelen in strijd met doel en strekking van de wet. Een deel van de rechtshandelingen werd namelijk onmiddellijk ongedaan gemaakt. Zodra de eerste vennootschap een dochtermaatschappij had opgericht, waarbij de aandelen werden volgestort door inbreng van het gehele vermogen van de oprichtende vennootschap, verkocht de oprichtster de aandelen weer. Dezelfde serie handelingen werd nadien nog vier keer verricht. Naar het oordeel van Hof Arnhem was op deze manier gehandeld in strijd met doel en strekking van de wet.