Afzien van pensioen was ten tijde van zetelverplaatsing pensioen-BV niet voorzienbaar

De feitelijke leiding van een BV met een pensioenverplichting voor de DGA en zijn echtgenote werd op 1 juli 1994 verplaatst naar de Nederlandse Antillen. De BV deed aangifte vennootschapsbelasting over het eerste halfjaar van 1994. De pensioenverplichting stond op de balans per 30 juni 1994 voor ƒ 612.000. De aanslag vennootschapsbelasting werd opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Bij een in 1999 uitgevoerd boekenonderzoek bleek dat de DGA en zijn echtgenote al op 28 december 1994 afstand hadden gedaan van hun pensioenrechten. De belastingdienst legde daarom een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op. Daarin werd de waarde van de pensioenverplichting op 30 juni 1994 alsnog tot de winst gerekend. Voor Hof Den Haag was in geschil of de afstand van pensioenrechten in 1994 een nieuw feit was dat navordering rechtvaardigde. Volgens de DGA werden de aangiften vennootschapsbelasting van de BV en de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting van de DGA op de eenheid Ondernemingen van de Belastingdienst door één team op geïntegreerde wijze behandeld. Het Hof was van oordeel dat van de inspecteur niet mocht worden verwacht dat hij bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting ook kennis nam van de aangiften vermogensbelasting van de DGA omdat een direct belang ontbrak. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd.Bij een geïntegreerde behandeling van aangiften mag van een teamlid worden verwacht dat hij zijn teamgenoten in kennis stelt van door hem waargenomen opvallende veranderingen, zoals een stijging of daling van de waarde van vermogensbestanddelen, ook al hebben die gegevens geen direct belang voor de regeling van een aanslag. Het Hof nam in zijn uitspraak de conclusie van de inspecteur over dat het afzien van pensioenrechten door de DGA en zijn echtgenote ten tijde van de verplaatsing van de BV naar de Antillen objectief beschouwd voorzienbaar was. Het Hof vond niet van belang of de DGA op dat moment al het voornemen had om van die rechten af te zien. Dat was volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk omdat zonder nadere toelichting niet viel in te zien hoe het afzien objectief beschouwd al voorzienbaar kon zijn op een moment dat de pensioengerechtigden zelf daartoe nog niet het voornemen hadden.
De feitelijke leiding van een BV met een pensioenverplichting voor de DGA en zijn echtgenote werd op 1 juli 1994 verplaatst naar de Nederlandse Antillen. De BV deed aangifte vennootschapsbelasting over het eerste halfjaar van 1994. De pensioenverplichting stond op de balans per 30 juni 1994 voor ƒ 612.000. De aanslag vennootschapsbelasting werd opgelegd overeenkomstig de ingediende aangifte. Bij een in 1999 uitgevoerd boekenonderzoek bleek dat de DGA en zijn echtgenote al op 28 december 1994 afstand hadden gedaan van hun pensioenrechten. De belastingdienst legde daarom een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op. Daarin werd de waarde van de pensioenverplichting op 30 juni 1994 alsnog tot de winst gerekend. Voor Hof Den Haag was in geschil of de afstand van pensioenrechten in 1994 een nieuw feit was dat navordering rechtvaardigde. Volgens de DGA werden de aangiften vennootschapsbelasting van de BV en de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting van de DGA op de eenheid Ondernemingen van de Belastingdienst door één team op geïntegreerde wijze behandeld. Het Hof was van oordeel dat van de inspecteur niet mocht worden verwacht dat hij bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting ook kennis nam van de aangiften vermogensbelasting van de DGA omdat een direct belang ontbrak. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd.Bij een geïntegreerde behandeling van aangiften mag van een teamlid worden verwacht dat hij zijn teamgenoten in kennis stelt van door hem waargenomen opvallende veranderingen, zoals een stijging of daling van de waarde van vermogensbestanddelen, ook al hebben die gegevens geen direct belang voor de regeling van een aanslag. Het Hof nam in zijn uitspraak de conclusie van de inspecteur over dat het afzien van pensioenrechten door de DGA en zijn echtgenote ten tijde van de verplaatsing van de BV naar de Antillen objectief beschouwd voorzienbaar was. Het Hof vond niet van belang of de DGA op dat moment al het voornemen had om van die rechten af te zien. Dat was volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk omdat zonder nadere toelichting niet viel in te zien hoe het afzien objectief beschouwd al voorzienbaar kon zijn op een moment dat de pensioengerechtigden zelf daartoe nog niet het voornemen hadden.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u