
Een aandeelhouder die een belang heeft van 5% of meer van de aandelen van een vennootschap, heeft een aanmerkelijk belang. De opbrengst van een aanmerkelijk belang, zowel bij verkoop als dividend, is belast in box 2 van de inkomstenbelasting. Ook een optierecht op 5% of meer van de aandelen vormt een aanmerkelijk belang.
Een werknemer had op grond van een optieregeling van de werkgever het recht om 10% van de aandelen B van de vennootschap te kopen. De vennootschap had een aandelenkapitaal dat bestond uit aandelen A en aandelen B. De werknemer kwam overeen met de grootaandeelhouder van de vennootschap dat hij tegen vergoeding afzag van uitoefening van zijn optierechten.
De vraag was of deze overeenkomst inhield dat de werknemer een aanmerkelijk belang had vervreemd. Hof Den Bosch was van oordeel dat de werknemer zijn optierechten had vervreemd. Over de daarmee behaalde winst moest de werknemer inkomstenbelasting betalen.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie afgewezen. Het oordeel van het hof is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk.