Aftrekbeperking voor kosten niet EU-deelnemingen niet in strijd met EG-verdrag
Een in Nederland gevestigde BV was onderdeel van een internationaal concern. De BV had ondermeer een indirecte minderheidsdeelneming in een Chileense vennootschap. In bezwaarschriften tegen de aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2000 en 2001 wilde de BV bedragen aan fictieve rente op een renteloze lening aan de moedermaatschappij en valutaresultaten daarop in aftrek op haar winst brengen. De inspecteur stond deze aftrek niet toe. Voor Hof Amsterdam was in geschil of deze kosten in aftrek konden komen. De wet Vpb 1969 beperkte de aftrek van kosten in verband met een deelneming tot kosten die middellijk dienstbaar waren aan het behalen van in Nederland belastbare winst. Dat gold niet voor de in geding zijnde kosten, dus op grond van de wet konden deze niet in aftrek komen. In het arrest Bosal oordeelde het Hof van Justitie EG (HvJ EG) dat de Nederlandse aftrekbeperking van kosten van deelnemingen binnen de EU in strijd was met het EG-verdrag. De BV stelde zich op het standpunt dat dit oordeel ook gold voor buiten de EU gevestigde deelnemingen, omdat het EG-verdrag beperkingen van het kapitaalverkeer met derde landen niet toestaat, met uitzondering van beperkingen die op 31 december 1993 al bestonden. Naar het oordeel van het Hof viel de aftrekbeperking onder deze uitzonderingen, ondanks een latere aanpassing van de wetsbepaling. Die aanpassing paste in het kader van de bestaande aftrekbeperking en was geen verruiming daarvan. De aftrekbeperking voor kosten van deelnemingen buiten de EU was niet in strijd met het EG-verdrag. De inspecteur had de aftrek van die kosten terecht geweigerd; de aanslagen bleven in stand.
Een in Nederland gevestigde BV was onderdeel van een internationaal concern. De BV had ondermeer een indirecte minderheidsdeelneming in een Chileense vennootschap. In bezwaarschriften tegen de aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2000 en 2001 wilde de BV bedragen aan fictieve rente op een renteloze lening aan de moedermaatschappij en valutaresultaten daarop in aftrek op haar winst brengen. De inspecteur stond deze aftrek niet toe. Voor Hof Amsterdam was in geschil of deze kosten in aftrek konden komen. De wet Vpb 1969 beperkte de aftrek van kosten in verband met een deelneming tot kosten die middellijk dienstbaar waren aan het behalen van in Nederland belastbare winst. Dat gold niet voor de in geding zijnde kosten, dus op grond van de wet konden deze niet in aftrek komen. In het arrest Bosal oordeelde het Hof van Justitie EG (HvJ EG) dat de Nederlandse aftrekbeperking van kosten van deelnemingen binnen de EU in strijd was met het EG-verdrag. De BV stelde zich op het standpunt dat dit oordeel ook gold voor buiten de EU gevestigde deelnemingen, omdat het EG-verdrag beperkingen van het kapitaalverkeer met derde landen niet toestaat, met uitzondering van beperkingen die op 31 december 1993 al bestonden. Naar het oordeel van het Hof viel de aftrekbeperking onder deze uitzonderingen, ondanks een latere aanpassing van de wetsbepaling. Die aanpassing paste in het kader van de bestaande aftrekbeperking en was geen verruiming daarvan. De aftrekbeperking voor kosten van deelnemingen buiten de EU was niet in strijd met het EG-verdrag. De inspecteur had de aftrek van die kosten terecht geweigerd; de aanslagen bleven in stand.