Aftrek voorbelasting bij integratieheffing naar rato feitelijk gebruik
Een ondernemer exploiteerde een kunstencentrum. Het kunstencentrum bestond uit een zevental ruimten, waaronder een kleine en een grote theaterzaal. Beide theaterzalen waren bestemd om steeds voor korte tijd aan derden te worden verhuurd. Dat gebeurde gedeeltelijk belast en gedeeltelijk vrijgesteld van omzetbelasting. Het kunstencentrum was voor de omzetbelasting één goed. De ingebruikname van het kunstencentrum gold als een interne levering. In de aangifte omzetbelasting verwerkte de exploitant 19 procent van de voortbrengingskosten van het kunstencentrum verminderd met een bedrag voor aftrekgerechtigd gebruik. De inspecteur corrigeerde de mate van aftrekgerechtigd gebruik en legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op. In de procedure naar aanleiding van de door de inspecteur aangebrachte correctie was in geschil of bij de berekening van het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting rekening moest worden gehouden met de omstandigheid dat de grote theaterzaal niet elke dag en niet 24 uren per dag werd verhuurd. Hof Den Haag was van oordeel dat alleen het feitelijke gebruik van de grote theaterzaal van belang was. Dat de grote theaterzaal niet elke dag en ook niet 24 uur per dag werd gebruikt had geen enkele invloed op de mate van aftrek. Het niet-permanente gebruik van de grote theaterzaal was inherent aan de wijze van exploiteren van de zaal, namelijk door het telkens kortstondig verhuren van de zaal. Het Hof liet de naheffingsaanslag in stand omdat bij de bepaling van de mate van aftrek van voorbelasting door de inspecteur van het feitelijke gebruik was uitgegaan.
Een ondernemer exploiteerde een kunstencentrum. Het kunstencentrum bestond uit een zevental ruimten, waaronder een kleine en een grote theaterzaal. Beide theaterzalen waren bestemd om steeds voor korte tijd aan derden te worden verhuurd. Dat gebeurde gedeeltelijk belast en gedeeltelijk vrijgesteld van omzetbelasting. Het kunstencentrum was voor de omzetbelasting één goed. De ingebruikname van het kunstencentrum gold als een interne levering. In de aangifte omzetbelasting verwerkte de exploitant 19 procent van de voortbrengingskosten van het kunstencentrum verminderd met een bedrag voor aftrekgerechtigd gebruik. De inspecteur corrigeerde de mate van aftrekgerechtigd gebruik en legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op. In de procedure naar aanleiding van de door de inspecteur aangebrachte correctie was in geschil of bij de berekening van het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting rekening moest worden gehouden met de omstandigheid dat de grote theaterzaal niet elke dag en niet 24 uren per dag werd verhuurd. Hof Den Haag was van oordeel dat alleen het feitelijke gebruik van de grote theaterzaal van belang was. Dat de grote theaterzaal niet elke dag en ook niet 24 uur per dag werd gebruikt had geen enkele invloed op de mate van aftrek. Het niet-permanente gebruik van de grote theaterzaal was inherent aan de wijze van exploiteren van de zaal, namelijk door het telkens kortstondig verhuren van de zaal. Het Hof liet de naheffingsaanslag in stand omdat bij de bepaling van de mate van aftrek van voorbelasting door de inspecteur van het feitelijke gebruik was uitgegaan.