Aftrek levensonderhoud voor pleegkind waarvoor geen recht op kinderbijslag bestond
Iemand had al geruime tijd de zorg voor het kind van een ander. Zij ontving een pleeggeldvergoeding. Die was niet toereikend om in de kosten van levensonderhoud van het kind te voorzien. Omdat zij geen recht op kinderbijslag had voor het kind, claimde zij in haar aangifte inkomstenbelasting aftrek van de kosten van levensonderhoud. Er bestaat recht op de aftrek wegens buitengewone lasten als het kind een pleegkind is en de verzorger geen recht op kinderbijslag heeft. Een kind geldt als pleegkind wanneer het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Het Hof was van oordeel, dat de opvoeding niet door de biologische ouders maar door de pleegouders werd verzorgd. Die opvoedingsrelatie droeg ook een duurzaam en bestendig karakter. Vervolgens is op verzoek van het Hof onderzocht of de pleegmoeder in aanmerking kwam voor kinderbijslag. De Sociale Verzekeringsbank deelde mee, dat zij geen recht op kinderbijslag had, omdat zij de voogdij over het kind niet had. Omdat zij van een voogdij-instelling een pleeggeldvergoeding ontving, onderhield zij het kind volgens de Sociale Verzekeringsbank niet als een eigen kind. Het Hof was echter van oordeel dat het ontvangen van een pleeggeldvergoeding niet automatisch betekende dat het betrokken pleegkind niet als een eigen kind werd onderhouden. Het ontvangen van bijdragen van derden is wel van betekenis voor de beoordeling of de pleegouder het kind tenminste in belangrijke mate onderhoudt. De bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van het kind die van de voogdij-instelling werd ontvangen was niet voldoende om die kosten te dekken. De pleegouders betaalden tenminste ƒ 56 per week aan de kosten van het levensonderhoud en voldeden daarmee aan de onderhoudseis. De pleegouders hadden recht op aftrek van buitengewone lasten.
Iemand had al geruime tijd de zorg voor het kind van een ander. Zij ontving een pleeggeldvergoeding. Die was niet toereikend om in de kosten van levensonderhoud van het kind te voorzien. Omdat zij geen recht op kinderbijslag had voor het kind, claimde zij in haar aangifte inkomstenbelasting aftrek van de kosten van levensonderhoud. Er bestaat recht op de aftrek wegens buitengewone lasten als het kind een pleegkind is en de verzorger geen recht op kinderbijslag heeft. Een kind geldt als pleegkind wanneer het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed. Het Hof was van oordeel, dat de opvoeding niet door de biologische ouders maar door de pleegouders werd verzorgd. Die opvoedingsrelatie droeg ook een duurzaam en bestendig karakter. Vervolgens is op verzoek van het Hof onderzocht of de pleegmoeder in aanmerking kwam voor kinderbijslag. De Sociale Verzekeringsbank deelde mee, dat zij geen recht op kinderbijslag had, omdat zij de voogdij over het kind niet had. Omdat zij van een voogdij-instelling een pleeggeldvergoeding ontving, onderhield zij het kind volgens de Sociale Verzekeringsbank niet als een eigen kind. Het Hof was echter van oordeel dat het ontvangen van een pleeggeldvergoeding niet automatisch betekende dat het betrokken pleegkind niet als een eigen kind werd onderhouden. Het ontvangen van bijdragen van derden is wel van betekenis voor de beoordeling of de pleegouder het kind tenminste in belangrijke mate onderhoudt. De bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van het kind die van de voogdij-instelling werd ontvangen was niet voldoende om die kosten te dekken. De pleegouders betaalden tenminste ƒ 56 per week aan de kosten van het levensonderhoud en voldeden daarmee aan de onderhoudseis. De pleegouders hadden recht op aftrek van buitengewone lasten.