Aftrek kosten levensonderhoud
De voorganger van de Wet IB 2001, de Wet IB 1964, bood meer mogelijkheden voor de aftrek van kosten van levensonderhoud van verwanten dan de huidige wet. In een langlopende procedure was de vraag of iemand recht had op de aftrek van de kosten van levensonderhoud voor drie in Turkije levende kinderen, van wie de betrokkene niet onbetwist de vader was. Kern van de vraag was of het wel zijn kinderen waren, met andere woorden of hij inderdaad in Turkije de vereiste rechtshandelingen naar Turks recht had verricht waardoor familierechtelijke betrekkingen tot stand waren gebracht tussen hem en de kinderen.
Na verwijzing door de Hoge Raad van de procedure naar Hof Den Haag overlegde de betrokkene kopieën van een aantal bescheiden, waaruit de erkenning van de kinderen door hem zou moeten blijken. Het Hof vond de overgelegde Turkse geboorteakten waarin de betrokkene als de vader van de kinderen is vermeld onvoldoende bewijs.
De Hoge Raad heeft ook deze uitspraak in cassatie vernietigd. De vraag of de overgelegde bescheiden bewijzen dat naar Turks recht familierechtelijke betrekkingen bestaan is geen feitelijke vraag, maar een vraag waarvan de beantwoording afhankelijk is van wat Turks recht bepaalt over de bewijskracht van deze bescheiden met betrekking tot het verricht zijn van de vereiste rechtshandelingen. Volgens de Hoge Raad had het Hof ambtshalve moeten onderzoeken wat het Turkse recht hieromtrent bepaalt.
Hof den Bosch moet dat nu, eventueel door het inschakelen van deskundigen, alsnog doen.
De voorganger van de Wet IB 2001, de Wet IB 1964, bood meer mogelijkheden voor de aftrek van kosten van levensonderhoud van verwanten dan de huidige wet. In een langlopende procedure was de vraag of iemand recht had op de aftrek van de kosten van levensonderhoud voor drie in Turkije levende kinderen, van wie de betrokkene niet onbetwist de vader was. Kern van de vraag was of het wel zijn kinderen waren, met andere woorden of hij inderdaad in Turkije de vereiste rechtshandelingen naar Turks recht had verricht waardoor familierechtelijke betrekkingen tot stand waren gebracht tussen hem en de kinderen.
Na verwijzing door de Hoge Raad van de procedure naar Hof Den Haag overlegde de betrokkene kopieën van een aantal bescheiden, waaruit de erkenning van de kinderen door hem zou moeten blijken. Het Hof vond de overgelegde Turkse geboorteakten waarin de betrokkene als de vader van de kinderen is vermeld onvoldoende bewijs.
De Hoge Raad heeft ook deze uitspraak in cassatie vernietigd. De vraag of de overgelegde bescheiden bewijzen dat naar Turks recht familierechtelijke betrekkingen bestaan is geen feitelijke vraag, maar een vraag waarvan de beantwoording afhankelijk is van wat Turks recht bepaalt over de bewijskracht van deze bescheiden met betrekking tot het verricht zijn van de vereiste rechtshandelingen. Volgens de Hoge Raad had het Hof ambtshalve moeten onderzoeken wat het Turkse recht hieromtrent bepaalt.
Hof den Bosch moet dat nu, eventueel door het inschakelen van deskundigen, alsnog doen.