
De regeling voor belastingheffing over voordelen uit een aanmerkelijk belang is bij de invoering van de Wet IB 2001 grotendeels overgenomen uit de Wet IB
Het vervallen van de bijzondere bepaling per 1 januari 2001 vormde aanleiding voor een drietal aanmerkelijk belanghouders om tegen een vergoeding genoegen te nemen met een verminderde winstgerechtigdheid van hun aandelen in een BV. Daar stond tegenover dat de winstgerechtigdheid van de aandelen van de vierde aandeelhouder, overigens een door de drie beheerste BV, in dezelfde mate zou toenemen. Deze vierde aandeelhouder betaalde ter compensatie voor de verschuiving van winstgerechtigdheid in 2001 een vergoeding van in totaal ƒ 10 miljoen aan de andere drie aandeelhouders.
In een grijs verleden heeft de Hoge Raad onder de toen geldende aanmerkelijk belangregeling geoordeeld dat een vergelijkbare winstverschuiving tussen aandeelhouders geen vervreemding inhield van aanmerkelijk belangaandelen. De AG wijst er in zijn conclusie op dat het arrest uit 1971 gelet op de herziening van het aanmerkelijk belangregime in 1997 en de invoering van de Wet IB 2001 zijn belang heeft verloren. Daar komt nog bij dat het arrest vooral inhield dat een feitelijk oordeel van het hof onaantastbaar werd verklaard. De AG concludeert dat het beroep in cassatie van de drie aanmerkelijk belanghouders ongegrond verklaard moet worden.