Afschrijving op pachtrecht ten laste van winst maatschap was toegestaan
Een maatschap had vier vennoten, te weten een echtpaar (de ouders) en hun zoon en dienst echtgenote (de kinderen). De maatschap dreef een melkveehouderij. De ouders waren eigenaar van het door de maatschap gebruikte weiland. Zij verkochten het weiland aan een door hen opgerichte BV onder voorbehoud van een pachtrecht voor twaalf jaren met het recht van verlenging voor telkens zes jaren. Het pachtrecht werd ter beschikking gesteld aan de maatschap. De winstverdeling van de maatschap werd aangepast in verband met de vervanging van de ter beschikking stelling van het weiland door het pachtrecht. De inspecteur accepteerde bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting van de kinderen de afschrijving op het pachtrecht niet. Hof Leeuwarden was van oordeel dat de maatschap door de vervanging van een gebruiksrecht door een pachtrecht niet in een wezenlijk andere positie was gebracht. Het was kennelijk de bedoeling om het weiland dienstbaar te laten zijn aan de onderneming van de maatschap en na de beoogde bedrijfsopvolging aan de onderneming van de kinderen. Volgens het Hof hadden de kinderen zakelijk gehandeld bij de omzetting van het gebruiksrecht in een pachtrecht en de aanvaarding van de gewijzigde winstverdeling die daarvan het gevolg was. Het Hof stond de afschrijving op het pachtrecht door de kinderen toe.
Een maatschap had vier vennoten, te weten een echtpaar (de ouders) en hun zoon en dienst echtgenote (de kinderen). De maatschap dreef een melkveehouderij. De ouders waren eigenaar van het door de maatschap gebruikte weiland. Zij verkochten het weiland aan een door hen opgerichte BV onder voorbehoud van een pachtrecht voor twaalf jaren met het recht van verlenging voor telkens zes jaren. Het pachtrecht werd ter beschikking gesteld aan de maatschap. De winstverdeling van de maatschap werd aangepast in verband met de vervanging van de ter beschikking stelling van het weiland door het pachtrecht. De inspecteur accepteerde bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting van de kinderen de afschrijving op het pachtrecht niet. Hof Leeuwarden was van oordeel dat de maatschap door de vervanging van een gebruiksrecht door een pachtrecht niet in een wezenlijk andere positie was gebracht. Het was kennelijk de bedoeling om het weiland dienstbaar te laten zijn aan de onderneming van de maatschap en na de beoogde bedrijfsopvolging aan de onderneming van de kinderen. Volgens het Hof hadden de kinderen zakelijk gehandeld bij de omzetting van het gebruiksrecht in een pachtrecht en de aanvaarding van de gewijzigde winstverdeling die daarvan het gevolg was. Het Hof stond de afschrijving op het pachtrecht door de kinderen toe.