Afhankelijkheid in arbeidsrelatie leidde tot premieplicht sociale verzekeringen
Een BV voerde de directie van een stichting tegen een vergoeding. De BV sloot vervolgens een samenwerkingsovereenkomst met twee andere vennootschappen. Op grond daarvan werden de door de stichting aan de BV opgedragen directiewerkzaamheden feitelijk mede uitgevoerd door de aandeelhouders van die andere vennootschappen. De BV betaalde daarvoor aan de betreffende vennootschappen een vergoeding. In 1997 sloot de BV een managementovereenkomst met een derde partij voor het verrichten van directiewerkzaamheden. Diens persoonlijke vennootschap trad in 1999 toe tot de samenwerkingsovereenkomst. Het UWV was van mening dat er sprake was van verplichte verzekering en legde naheffingsaanslagen premies werknemersverzekeringen op aan de BV. Vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding stelde het UWV de arbeidsverhouding gelijk aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Volgens de BV was er een samenwerkingsverband tussen zelfstandige ondernemers, waarin op basis van gelijkwaardigheid werd samengewerkt ten behoeve van een gezamenlijk doel. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat de door de BV betaalde vergoedingen de tegenprestatie vormde voor persoonlijk verrichte werkzaamheden. De vergoedingen hielden (mede) verband met door de betrokkenen verrichte directiewerkzaamheden. Er waren onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de betrokkenen bij het uitvoeren van hun directiewerkzaamheden optraden als zelfstandig ondernemer. De BV onderbouwde haar stelling dat de betrokkenen ondernemersrisico liepen niet voldoende. Volgens de Centrale Raad van Beroep waren de betrokkenen in hun arbeidsrelatie te zeer afhankelijk van de BV om te kunnen spreken van samenwerkende zelfstandige ondernemers.
Een BV voerde de directie van een stichting tegen een vergoeding. De BV sloot vervolgens een samenwerkingsovereenkomst met twee andere vennootschappen. Op grond daarvan werden de door de stichting aan de BV opgedragen directiewerkzaamheden feitelijk mede uitgevoerd door de aandeelhouders van die andere vennootschappen. De BV betaalde daarvoor aan de betreffende vennootschappen een vergoeding. In 1997 sloot de BV een managementovereenkomst met een derde partij voor het verrichten van directiewerkzaamheden. Diens persoonlijke vennootschap trad in 1999 toe tot de samenwerkingsovereenkomst. Het UWV was van mening dat er sprake was van verplichte verzekering en legde naheffingsaanslagen premies werknemersverzekeringen op aan de BV. Vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding stelde het UWV de arbeidsverhouding gelijk aan een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Volgens de BV was er een samenwerkingsverband tussen zelfstandige ondernemers, waarin op basis van gelijkwaardigheid werd samengewerkt ten behoeve van een gezamenlijk doel. De Centrale Raad van Beroep was van oordeel dat de door de BV betaalde vergoedingen de tegenprestatie vormde voor persoonlijk verrichte werkzaamheden. De vergoedingen hielden (mede) verband met door de betrokkenen verrichte directiewerkzaamheden. Er waren onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de betrokkenen bij het uitvoeren van hun directiewerkzaamheden optraden als zelfstandig ondernemer. De BV onderbouwde haar stelling dat de betrokkenen ondernemersrisico liepen niet voldoende. Volgens de Centrale Raad van Beroep waren de betrokkenen in hun arbeidsrelatie te zeer afhankelijk van de BV om te kunnen spreken van samenwerkende zelfstandige ondernemers.