Afboeking vervangingsreserve op pand van CV toegestaan
Een beleggingsmaatschappij verkocht in 1997 een verhuurd bedrijfspand en vormde voor de behaalde boekwinst een vervangingsreserve. In 1999 verkreeg de beleggingsmaatschappij een belang in een commanditaire vennootschap (CV). De CV had als doel het beleggen in onroerende zaken. De beleggingsmaatschappij boekte de in 1997 gevormde vervangingsreserve volledig af op het met haar belang in de CV overeenkomende deel van de aanschaffingskosten van een door de CV aangeschaft kantoorpand. De inspecteur weigerde de afboeking en rekende de vervangingsreserve tot de winst van de beleggingsmaatschappij.Hof Amsterdam was van oordeel dat het aandeel van de beleggingsmaatschappij in het kantoorpand van de CV dezelfde economische functie had als de in 1997 verkochte onroerende zaak. Dat hield in dat de in 1997 gevormde vervangingsreserve op de aanschaffingskosten van het kantoorpand mocht worden afgeboekt, ondanks dat de beschikkingsmacht en de aansprakelijkheid ten aanzien van het kantoorpand anders waren dan met betrekking tot het in 1997 verkochte bedrijfspand. Volgens de Hoge Raad was ondanks de verandering van de civielrechtelijke verhouding ten aanzien van het vervreemde en het aangekochte pand sprake van een vervanging. De uitspraak van het Hof bleef in stand.
Een beleggingsmaatschappij verkocht in 1997 een verhuurd bedrijfspand en vormde voor de behaalde boekwinst een vervangingsreserve. In 1999 verkreeg de beleggingsmaatschappij een belang in een commanditaire vennootschap (CV). De CV had als doel het beleggen in onroerende zaken. De beleggingsmaatschappij boekte de in 1997 gevormde vervangingsreserve volledig af op het met haar belang in de CV overeenkomende deel van de aanschaffingskosten van een door de CV aangeschaft kantoorpand. De inspecteur weigerde de afboeking en rekende de vervangingsreserve tot de winst van de beleggingsmaatschappij.Hof Amsterdam was van oordeel dat het aandeel van de beleggingsmaatschappij in het kantoorpand van de CV dezelfde economische functie had als de in 1997 verkochte onroerende zaak. Dat hield in dat de in 1997 gevormde vervangingsreserve op de aanschaffingskosten van het kantoorpand mocht worden afgeboekt, ondanks dat de beschikkingsmacht en de aansprakelijkheid ten aanzien van het kantoorpand anders waren dan met betrekking tot het in 1997 verkochte bedrijfspand. Volgens de Hoge Raad was ondanks de verandering van de civielrechtelijke verhouding ten aanzien van het vervreemde en het aangekochte pand sprake van een vervanging. De uitspraak van het Hof bleef in stand.