Afboeking lening BV op dochtermaatschappij toegestaan
Een BV had 75% van de aandelen in een andere BV. Deze laatste vormde een fiscale eenheid met haar 100%-dochter. De moedermaatschappij verstrekte aan de fiscale eenheid leningen, die opliepen tot ƒ 1,1 miljoen. Binnen de fiscale eenheid werden de leningen samengevoegd in één BV. In 1998 stopte de fiscale eenheid met de activiteiten. Op de leningen werd ongeveer ƒ 300.000 afgelost. Het restant werd als oninbaar afgeboekt. De inspecteur weigerde deze afboeking als verlies aan te merken, omdat de lening op onzakelijke gronden zou zijn verstrekt. Die mening baseerde hij op het feit dat er geen akte van geldlening was, dat de rente zou worden bijgeschreven en dat geen aflossingsschema was overeengekomen. Hof Den Haag vond dat onvoldoende om de leningen als onzakelijk te kwalificeren.De Inspecteur vond dat het overnemen door de ene BV van de schuld van de andere BV moest worden gezien als het verstrekken van een nieuwe lening door de schuldeiser aan die BV. Het Hof was het daarmee niet eens, omdat de positie van de schuldeiser niet is verslechterd door de schuldovername. Bij de beoordeling van het zakelijke karakter van de leningverstrekking aan de dochter binnen de fiscale eenheid moet niet naar de (financiële) situatie van de moeder of de hele fiscale eenheid worden gekeken, maar uitsluitend naar de kredietwaardigheid van de dochter. De positie van de dochter was op het moment van verstrekken van de lening niet zo slecht, dat aflossing niet te verwachten was. Het verlies dat de dochter in dat jaar leed, was incidenteel en is later ingehaald. Pas in een later jaar kwam de continuïteit van de onderneming in het gedrang door het overlijden van de directeur-grootaandeelhouder die de drijvende kracht was achter de onderneming. Het Hof stelde het verlies vast conform de ingediende aangifte.
Een BV had 75% van de aandelen in een andere BV. Deze laatste vormde een fiscale eenheid met haar 100%-dochter. De moedermaatschappij verstrekte aan de fiscale eenheid leningen, die opliepen tot ƒ 1,1 miljoen. Binnen de fiscale eenheid werden de leningen samengevoegd in één BV. In 1998 stopte de fiscale eenheid met de activiteiten. Op de leningen werd ongeveer ƒ 300.000 afgelost. Het restant werd als oninbaar afgeboekt. De inspecteur weigerde deze afboeking als verlies aan te merken, omdat de lening op onzakelijke gronden zou zijn verstrekt. Die mening baseerde hij op het feit dat er geen akte van geldlening was, dat de rente zou worden bijgeschreven en dat geen aflossingsschema was overeengekomen. Hof Den Haag vond dat onvoldoende om de leningen als onzakelijk te kwalificeren.De Inspecteur vond dat het overnemen door de ene BV van de schuld van de andere BV moest worden gezien als het verstrekken van een nieuwe lening door de schuldeiser aan die BV. Het Hof was het daarmee niet eens, omdat de positie van de schuldeiser niet is verslechterd door de schuldovername. Bij de beoordeling van het zakelijke karakter van de leningverstrekking aan de dochter binnen de fiscale eenheid moet niet naar de (financiële) situatie van de moeder of de hele fiscale eenheid worden gekeken, maar uitsluitend naar de kredietwaardigheid van de dochter. De positie van de dochter was op het moment van verstrekken van de lening niet zo slecht, dat aflossing niet te verwachten was. Het verlies dat de dochter in dat jaar leed, was incidenteel en is later ingehaald. Pas in een later jaar kwam de continuïteit van de onderneming in het gedrang door het overlijden van de directeur-grootaandeelhouder die de drijvende kracht was achter de onderneming. Het Hof stelde het verlies vast conform de ingediende aangifte.