Aanhouding bezwaar wegens andere procedure leidde niet tot vermindering van boete
De belastingdienst legde aan een ondernemer voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting op met een verhoging van ƒ 250 wegens het niet tijdig doen van aangifte. De inspecteur corrigeerde bij de aanslag het inkomen van de ondernemer. Deze maakte daartegen bezwaar. De inspecteur hield de behandeling van het bezwaar aan, omdat er een procedure liep over 1994. In dat jaar had hij dezelfde correctie aangebracht. Over 1995 was in geschil of de boete wegens te late indiening terecht was opgelegd en of deze door overschrijding van de redelijke termijn moest worden vernietigd. Hof Den Bosch was van oordeel, dat de boete terecht was opgelegd, omdat de aangifte na het verstrijken van de termijn was ingediend. Voor de beoordeling of de redelijke termijn voor het opleggen van een boete was verstreken liet het Hof de periode van aanhouding van het bezwaar buiten beschouwing. Het hof was van oordeel, dat de termijn niet onredelijk lang was en liet de boete in stand.
De belastingdienst legde aan een ondernemer voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting op met een verhoging van ƒ 250 wegens het niet tijdig doen van aangifte. De inspecteur corrigeerde bij de aanslag het inkomen van de ondernemer. Deze maakte daartegen bezwaar. De inspecteur hield de behandeling van het bezwaar aan, omdat er een procedure liep over 1994. In dat jaar had hij dezelfde correctie aangebracht. Over 1995 was in geschil of de boete wegens te late indiening terecht was opgelegd en of deze door overschrijding van de redelijke termijn moest worden vernietigd. Hof Den Bosch was van oordeel, dat de boete terecht was opgelegd, omdat de aangifte na het verstrijken van de termijn was ingediend. Voor de beoordeling of de redelijke termijn voor het opleggen van een boete was verstreken liet het Hof de periode van aanhouding van het bezwaar buiten beschouwing. Het hof was van oordeel, dat de termijn niet onredelijk lang was en liet de boete in stand.