
Onroerende zaakbelasting is een gebruikersbelasting die wordt geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak gebruikt. De vraag in een procedure was of sprake was van gebruik bij een bouwperceel waarop nog niet werd gebouwd. De casus was als volgt.
Een BV kocht in 2007 een stuk bouwgrond met de bedoeling hierop een hotel te bouwen. Op 10 december 2007 werd een bouwvergunning verleend, maar op 1 januari 2008 was de bouw nog niet begonnen. Eind augustus 2008 werd de eerste paal geslagen.
De vraag was of voor de heffing van de onroerende zaakbelasting al sprake was van gebruik op 1 januari 2008. De BV vond dat zij de onroerende zaak op 1 januari 2008 nog niet kon gebruiken, omdat pas in augustus 2008 met de bouw kon worden begonnen.
Volgens de rechtbank was geen sprake van het aanhouden van het perceel voor handels- of beleggingsdoeleinden omdat het perceel was gekocht om er een hotel op te bouwen. Gezien de door de BV verrichte handelingen voor 1 januari 2008 was op die datum sprake van gebruik door de BV. Dat betekende dat de aanslag OZB terecht was opgelegd. In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag dat de BV het perceel begin 2008 aanhield in afwachting van de bouwvergunning voor het hotel. Dat was een vorm van gebruik. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank.