30%-regeling niet van toepassing omdat werknemer al in Nederland werkzaam was
Een in Duitsland wonende tandarts nam een praktijk in Nederland over. De praktijk werd in een daartoe opgerichte BV ingebracht. De tandarts trad in dienst bij deze BV en begon op 1 januari 2001 met zijn werkzaamheden. Hij diende een verzoek in om toepassing van de 30%-regeling per 1 januari 2001. De inspecteur wees dat af, omdat de tandarts geen ingekomen werknemer was. De definitie van een ingekomen werknemer is een "door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is". De BV werd pas op 30 maart 2001 opgericht. Er kon dus pas vanaf die datum sprake zijn van een inhoudingsplichtige voor de loonheffing. Om die reden was de tandarts op 1 januari 2001 geen ingekomen werknemer. Dat de tandarts zich pas op 10 april 2001 in Nederland vestigde was niet van belang omdat voor de toepassing van de 30%-bewijsregel niet nodig is dat de werknemer in Nederland woont. Volgens Hof Den Bosch kon de tandarts als vrijeberoepsbeoefenaar voor de periode van 1 januari 2001 tot 30 maart 2001 niet gelijkgesteld worden met een werknemer. Ook als het verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregel per 30 maart zou zijn gedaan moest het volgens het Hof worden afgewezen omdat de tandarts geen ingekomen werknemer was omdat hij al voor die datum in Nederland werkzaam was. Naar het oordeel van het Hof is de beperking van de 30%-bewijsregel tot bepaalde groepen werknemers niet in strijd met het EG-verdrag omdat er geen sprake is van een ongelijke behandeling.
Een in Duitsland wonende tandarts nam een praktijk in Nederland over. De praktijk werd in een daartoe opgerichte BV ingebracht. De tandarts trad in dienst bij deze BV en begon op 1 januari 2001 met zijn werkzaamheden. Hij diende een verzoek in om toepassing van de 30%-regeling per 1 januari 2001. De inspecteur wees dat af, omdat de tandarts geen ingekomen werknemer was. De definitie van een ingekomen werknemer is een "door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is". De BV werd pas op 30 maart 2001 opgericht. Er kon dus pas vanaf die datum sprake zijn van een inhoudingsplichtige voor de loonheffing. Om die reden was de tandarts op 1 januari 2001 geen ingekomen werknemer. Dat de tandarts zich pas op 10 april 2001 in Nederland vestigde was niet van belang omdat voor de toepassing van de 30%-bewijsregel niet nodig is dat de werknemer in Nederland woont. Volgens Hof Den Bosch kon de tandarts als vrijeberoepsbeoefenaar voor de periode van 1 januari 2001 tot 30 maart 2001 niet gelijkgesteld worden met een werknemer. Ook als het verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregel per 30 maart zou zijn gedaan moest het volgens het Hof worden afgewezen omdat de tandarts geen ingekomen werknemer was omdat hij al voor die datum in Nederland werkzaam was. Naar het oordeel van het Hof is de beperking van de 30%-bewijsregel tot bepaalde groepen werknemers niet in strijd met het EG-verdrag omdat er geen sprake is van een ongelijke behandeling.